wetzoeker

Toelichting Regeling vaststelling Aanwijzingen inzake de rijksinspecties

Niet alle bevindingen, oordelen en adviezen worden aan de minister voorgelegd. Het is aan de inspecteur-generaal om te bepalen welke gegevens op welk moment aan de minister worden voorgelegd zodat de minister zijn verantwoordelijkheid kan waarmaken. De minister kan ook zelf aangeven dat hij over bepaalde onderwerpen, individuele onderzoeken of onderzoeksterreinen meer of minder intensief geïnformeerd wil worden.

Normaliter wordt de informatie voor de minister binnen het ministerie afgestemd en wordt de minister tegelijk geïnformeerd over de reactie van beleid. Om te verzekeren dat de minister steeds kan beschikken over relevante en ongewijzigde informatie van zijn rijksinspectie, is het belangrijk dat de inspecteur-generaal de minister zo nodig zelf kan informeren zonder afhankelijk te zijn van de instemming van anderen binnen de departementale hiërarchie, met inbegrip van de SG. Een signaal van de inspectie moet ongefilterd bij de minister terecht komen.

13 Kabinetsreactie op de rapporten ‘Toezien op publieke belangen’ en ‘Van tweeluik naar driehoeken’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Kamerstukken II 2014/15, 33 822, nr. 3, bijlage, blz. 11).

Dit laat onverlet dat andere onderdelen van het ministerie tijdig geïnformeerd moeten worden over de uitkomsten van het toezicht, onder meer zodat zij een beleidsreactie kunnen formuleren. De SG kan hierbij een brugfunctie tussen toezicht en beleid uitoefenen ingeval de ambtelijke informatieverstrekking niet of onvolledig heeft plaatsgevonden. Bij ‘andere relevante gegevens’ kan bijvoorbeeld gedacht worden aan trendrapportages of informatie over de werking van beleid en regels in de praktijk (zie aanwijzing 8).

Regeling
Regeling vaststelling Aanwijzingen inzake de rijksinspecties
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2022
BWB-id
BWBR0037073
Versie
2022-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl