Toelichting Regeling vaststelling Aanwijzingen inzake de rijksinspecties
Onderdeel a: de organisaties die onder het bereik van deze aanwijzingen vallen zijn de Erfgoedinspectie (EGI), Inspectie Jeugdzorg (IJZ), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), Nederlandse Arbeidsinspectie, Inspectie van het Onderwijs (IvhO), Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ), Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), het Agentschap Telecom (AT), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Ook de Autoriteit Woningcorporaties, die onderdeel is van de ILT, valt onder het bereik van deze aanwijzingen.
Departementale toezichthouders die alleen toezicht houden op het ministerie zelf (bijvoorbeeld een departementale auditdienst, de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht,
5 De positie en bevoegdheden van de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht zijn vastgelegd in het KB van 9 december 1969, nr. 201,198/H, gewijzigd bij KB van 18 juni 1980, nr. 456.974/J.
de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie of de Inspectie en Evaluatie Bedrijfsvoering van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) vallen niet onder deze aanwijzingen.
De rijksinspecties zijn dienstonderdelen van een ministerie. Sommige rijksinspecties hebben daarbij de status van agentschap. Zij hebben dan een specifiek sturingsmodel en een eigen financiële administratie,
6 Dit geldt momenteel voor het AT, de ILT en de NVWA. Zij zijn een baten-lastendienst in de zin van artikel 10 Comptabiliteitswet, wat tegenwoordig een agentschap wordt genoemd. Zie de Regeling agentschappen, Stcrt. 2012, nr. 20668.
maar dit heeft geen gevolgen voor de ministeriële verantwoordelijkheid.
Rijksinspecties zijn per definitie geen zelfstandige bestuursorganen (zbo). Een kenmerk van zbo’s is immers dat zij niet hiërarchisch ondergeschikt zijn aan een minister en geen onderdeel zijn van een ministerie. De verantwoordelijkheid van een minister voor een zbo is beperkt tot de bevoegdheden die de wet aan de minister toekent.
7 Notitie van 12 mei 2014 van de Minister voor WenR over de ministeriële verantwoordelijkheid bij zbo’s, Kamerstukken I 2013/14, C, Q, bijlage.
Hierdoor wordt ook de mogelijkheid van parlementaire controle op een toezichthouder die de status van zbo heeft, beperkt. Er kunnen soms redenen zijn om een toezichthoudende organisatie de status van zbo te geven, bijvoorbeeld vanwege internationale verplichtingen (Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming en het College Bescherming Persoonsgegevens) of bijvoorbeeld omdat zij toezicht moet houden op marktverhoudingen terwijl de rijksoverheid zelf ook als partij op die markt actief is (markttoezichthouders
8 Autoriteit Financiële Markten, Autoriteit Consument & Markt, De Nederlandsche Bank, College Bescherming Persoonsgegevens, Kansspelautoriteit en de Nederlandse Zorgautoriteit.
). Voor de rijksinspecties geldt dit niet. De ministeriële verantwoordelijkheid, en dus ook de mogelijkheid voor parlementaire controle, is niet beperkt ten aanzien van deze toezichthoudende organisaties.
Onderdeel b: de functietitel van de leidinggevende van de inspectie is afhankelijk van een aantal factoren die zijn beschreven in het Kader Topstructuur en Topfuncties Rijk 2007, dat geldt als een kader in de zin van artikel 3, lid 1, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011.
9 De NVWA, IGZ, IvhO, SodM, ILT en Nederlandse Arbeidsinspectie worden geleid door een Inspecteur-Generaal. De EGI heeft een directeur, de IJZ wordt geleid door een hoofdinspecteur, de IVenJ door een hoofd en het AT door een directeur-hoofdinspecteur.
In deze aanwijzingen wordt in algemene zin de aanduiding ‘inspecteur-generaal’ (IG) gebruikt voor de leidinggevende van de rijksinspectie, ook als de facto de aanduiding anders luidt.
Onderdeel c: in deze aanwijzingen wordt onderscheid gemaakt tussen de minister die verantwoordelijk is voor de rijksinspectie als organisatie en de ministers of staatssecretarissen die beleidsinhoudelijk verantwoordelijk zijn voor de wetten waarop de rijksinspectie toezicht houdt. De verantwoordelijkheid voor de rijksinspectie als organisatie betreft de hiërarchische inbedding in het ministerie en andere organisatorische aspecten. De beleidsinhoudelijke verantwoordelijkheid betreft de toezichtstaken die de rijksinspectie uitvoert inclusief de beleidsmatige reactie op de uitkomsten van onderzoeken.
Een minister die aan het hoofd staat van het ministerie waarvan een rijksinspectie onderdeel is, zal tegelijk ook vrijwel altijd verantwoordelijk zijn voor een of meer wetten waarop die rijksinspectie toezicht houdt. Daarnaast kunnen echter ook andere ministers (mede)verantwoordelijk zijn voor het toezicht op een bepaald beleidsterrein omdat zij de beleidsinhoudelijke verantwoordelijkheid dragen voor wetgeving waarop de rijksinspectie toezicht houdt. Het kan ook voorkomen dat een ándere minister exclusief verantwoordelijk is voor een beleidsterrein waarop een rijksinspectie toezicht houdt. In dat geval is de verantwoordelijkheid voor de rijksinspectie als organisatie gescheiden van de verantwoordelijkheid voor het toezicht dat de rijksinspectie op dit beleidsterrein houdt.
Onderdeel d: in een werkprogramma (soms ook werkplan genoemd) staan de aandachtsvelden en – voor zover mogelijk – de belangrijkste onderzoeken die zullen worden uitgevoerd. Daarnaast vermeldt het werkprogramma welke middelen nodig zijn om het programma te kunnen uitvoeren.
- Regeling
- Regeling vaststelling Aanwijzingen inzake de rijksinspecties
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-01-2022
- BWB-id
- BWBR0037073
- Versie
- 2022-01-01_0