wetzoeker

Aanwijzing ex artikel 7 Wet marktordening gezondheidszorg (korting beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2015)

Aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 december 2014, 696543-13073-MC, op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg, inzake korting beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2015

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-02-2015
Rechtsgebied
Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Ministerie
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
BWB-id
BWBR0036146
Versie
2015-02-01_0
SHA-256 bron
c51110e805228dd0b6caf25a3c00db99c3f69991bb2ff58befa6c196e23a0bf7

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (5)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5

Artikel 1

In deze aanwijzing wordt verstaan onder:

a. minister: minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. wet: Wet marktordening gezondheidszorg;

c. zorgautoriteit: Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in artikel 3 van de wet;

d. advies: advies van de zorgautoriteit aan de minister van 20 juli 2012 inzake kapitaallasten universitair medische centra, kenmerk TURS/djon/TSZ/9039;

e. Besluit: Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG;

f. bijlage: bijlage behorende bij de artikelen 2 en 4 van het Besluit;

g. academische zorg: zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 2, van de bijlage;

h. dienst van algemeen belang: dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

i. PBA-middelen: middelen toegekend in het kader van de systematiek op grond van de regeling Planning Bouwvolume Academische ziekenhuizen;

j. convenant: convenant Decentralisatie Huisvesting Academische Ziekenhuizen;

k. bijzondere kapitaallasten: lasten voortvloeiend uit de afwikkeling van besluiten van de minister inzake kapitaallasten van aanbieders van academische zorg, genomen tijdens de looptijd van de Subsidieregeling academische functie en de daaraan voorafgaande periode waarbij de academische functie gefinancierd werd uit het door zorgverzekeraars in 2005 opgerichte fonds, waarin op vrijwillige basis per verzekerde een vaste bijdrage ten behoeve van de academische functie werd gestort door zorgverzekeraars.

Artikel 2

Deze aanwijzing is van toepassing op academische zorg.

Artikel 3

De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing tijdig vóór 1 januari 2015 regels of beleidsregels vast.

Artikel 4

1 De zorgautoriteit verleent een beschikbaarheidbijdrage en stelt deze vast ter compensatie voor het verlenen van een dienst van algemeen belang ter zake van academische zorg.

2 De zorgautoriteit dient voor de hoogte van de beschikbaarheidbijdrage en met betrekking tot de zorgaanbieders die met de dienst van algemeen belang worden belast, uit te gaan van de situatie in 2014, met dien verstande dat zij bij de toekenning van de beschikbaarheidbijdrage rekening houdt met de korting van € 10 miljoen voor academische zorg, zoals opgenomen in de toelichting bij de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor 2012 en met de korting van € 70 miljoen voor academische zorg, zoals opgenomen in de toelichting bij de begroting van het Ministerie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor 2014.

Artikel 5

1 De zorgautoriteit verleent een beschikbaarheidbijdrage en stelt deze vast voor kapitaallasten in verband met academische zorg op basis van het voorstel in het advies, met dien verstande dat zij de beschikbaarheidbijdrage ambtshalve vaststelt, een normatieve benadering hanteert, rekening houdt met de PBA-middelen en de mogelijkheid tot reservering voor het doel waarvoor een beschikbaarheidbijdrage voor kapitaallasten is verleend beperkt tot een periode van maximaal vier jaren.

2 De zorgautoriteit dient met betrekking tot die zorgaanbieders die een beschikbaarheidbijdrage in verband met kapitaallasten kunnen krijgen, uit te gaan van de situatie in 2014.

3 De zorgautoriteit dient met betrekking tot hoogte van de beschikbaarheidbijdrage uit te gaan van het aandeel in de kapitaallasten voor academische zorg dat aan de minister wordt toegerekend in het convenant en rekening te houden met de kortingen, bedoeld in artikel 4, derde lid.