§ 6 — Overig Regeling garanties van oorsprong
Overig
Administratie
6.1 Bij het meetprotocol behoort een administratie waarin per meetinrichting de volgende gegevens worden geregistreerd:
a. fabricaat, type, fabrieksnummer en bouwjaar van de geïnstalleerde meetinrichtingen, meters en meetmiddelen;
b. kalibratiecertificaten van de meetinrichting en de meters en meetmiddelen daarvan;
c. het jaar waarin de meetinrichting is geïnstalleerd dan wel voor het laatst is gereviseerd;
d. het soort zegel waarmee de meetinrichting is verzegeld, dan wel de wijze van borging die voor de meetinrichting is aangebracht;
e. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is gecontroleerd;
f. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is geijkt;
g. de resultaten van de aan de meetinrichting uitgevoerde controles en ijkingen;
h. een overzicht van de functionarissen die bevoegd zijn metingen uit te voeren en meetinrichtingen te onderhouden respectievelijk te beheren. Aanvullend geldt voor koolstofdioxide-arme warmte norm NEN-EN 1434-2:2007. De producent is verantwoordelijk voor het actueel houden van deze administratie.
Storingen
6.2 De meetgegevens van een meetinrichting, die door een storing niet langer functioneert of niet langer voldoet aan de gestelde meeteisen, mogen voor een periode van maximaal vier werkdagen nadat de storing is opgemerkt worden berekend uit controlemetingen.
6.3 Indien de storing niet binnen vier werkdagen verholpen is, kan de producent meten volgens de in § 5 beschreven methode en procedure.
6.4 Indien een storing is opgetreden, wordt dit vermeld in het meetrapport over de desbetreffende kalendermaand. Hierbij wordt aangegeven welke meetgegevens het betreft en op welke wijze de reparatie is aangebracht.
Correcties
6.5 Een correctie op meetgegevens dient uiterlijk binnen twaalf maanden nadat deze zijn gerapporteerd te worden doorgevoerd.
6.6 Geconstateerde meetfouten en correcties worden gemeld aan de minister.
Systeemgrens
6.7 De systeemgrens omsluit één productie-installatie.
6.8 Alle onderdelen van de productie-installatie bevinden zich binnen de systeemgrens.
6.9 De consumptie van energie van systemen die zich binnen de systeemgrens bevinden, wordt voor de uitgifte van garanties van oorsprong niet gemeten.
6.10 Voor de productie-installatie wordt een schema opgesteld met daarop aangegeven de systeemgrens, de energiestromen die de systeemgrens passeren en de meetinrichtingen die zich op de systeemgrens van de productie-installatie bevinden.
Alternatieve meting
6.11 De producent kan een meetgegeven via een alternatieve meting bepalen, indien meten met meetinrichtingen als bedoeld in § 3 niet mogelijk is omdat:
a. geen goede meting mogelijk is van de energiehoeveelheid;
b. het plaatsen van een meetinrichting tot aantasting van de veiligheid van de installatie zou leiden;
c. het plaatsen of verbeteren van een meetinrichting tot onevenredig hoge kosten zou leiden;
d. een meetinrichting in storing is geraakt als bedoeld onder 6.2 tot en met 6.4; of
6.12 De alternatieve meting voldoet aan de hieronder genoemde voorwaarden.
6.13 De producent verstrekt in het meetprotocol een uitvoerige motivatie voor het afwijken van de nauwkeurigheidseisen uit §2, waarin tenminste wordt opgenomen:
a. een beschrijving van de technische onmogelijkheid om § 2 toe te passen;
b. de overwegingen omtrent de veiligheid van de installatie op grond waarvan § 2 niet toegepast kan worden;
c. een onderbouwde raming van de kosten die het aanpassen van de betrokken meetinrichting aan het toepassen van § 2 zouden vergen;
d. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van § 2 bereikt zou zijn;
e. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van de alternatieve meting bereikt zal worden.
6.14 De wijze van het bepalen van de meetgegevens door middel van alternatieve meting wordt nauwkeurig vastgelegd in het meetprotocol voor de productie-installatie en wordt voorafgaand aan de toepassing daarvan goedgekeurd door een gecertificeerd meetbedrijf.
6.15 De alternatieve meting gebruikt geen kentallen of andere gegevens die het meten van de daadwerkelijke hoeveelheid ander gas uit hernieuwbare bronnen beïnvloeden.
6.16 De onnauwkeurigheid van een meetgegeven, vastgesteld op grond van alternatieve meting, is in beginsel gelijk aan of lager dan de onnauwkeurigheid die § 2 ten aanzien van de desbetreffende meting vereist.
- Regeling
- Regeling garanties van oorsprong
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 02-09-2026
- BWB-id
- BWBR0035971
- Versie
- 2026-09-02_0