§ 6 — Energiebepaling Regeling garanties van oorsprong
Energiebepaling
6.1. Paragraaf 6 betreft de beschrijving van de energiebepaling in de situatie met een of meerdere productie-installaties zonder een aansluiting op een transmissie- of distributiesysteem voor gas en ten behoeve van de verdelingberekening in de situatie met meerdere productie-installaties met één aansluiting op een transmissie- of distributiesysteem voor gas.
6.2. De energiehoeveelheid wordt bepaald door de gemeten hoeveelheid gas te vermenigvuldigen met de calorische bovenwaarde (Hs).
6.3. De calorische bovenwaarde wordt berekend conform ISO 6976: 1995 (tabel 3, bij 25°C, molbasis).
Waarin:
Hs calorische bovenwaarde (MJ/m3n)
Hs,i calorische bovenwaarde van component i (kJ/mol)
x xi concentratie van component i (mol%)
m aantal componenten
zn compressibiliteit onder normaalcondities.
6.4. Alle componenten die een significante bijdrage leveren aan de calorische waarde worden op de volgende wijze vastgesteld:
a. directe bepaling: alle componenten worden gemeten, of
b. indirecte bepaling: uit de concentraties van de gemeten componenten wordt de concentratie van een niet gemeten component berekend. De berekende concentratie dient altijd te worden toegeschreven aan één of meerdere niet brandbare componenten, zodat er nooit een overschatting van de calorische waarde kan plaatsvinden.
6.5. Eénmaal per jaar draagt de producent er zorg voor dat een gasmonster wordt genomen en geanalyseerd wordt door een daarvoor erkend laboratorium. De uitkomst van deze analyse is leidend bij het bepalen of de juiste componenten gemeten worden.
6.6. Watergehalte moet in alle gevallen bepaald worden. Dit mag zowel door meting als door berekening.
6.7. Het waterdauwpunt van het gas uit hernieuwbare bronnen ten tijde van de meting dient altijd aantoonbaar lager te zijn dan de omgevingstemperatuur.
6.8. Het maximale meetinterval van de calorische bovenwaarde volgt, afhankelijk van de klasse-indeling op basis van de maximale flowcapaciteit waar de meting betrekking op heeft, uit tabel 2.
Tabel 2 Meetinterval calorische bovenwaarde
Klasse | Qn (m3n/h) | Max. Interval Hs-bepaling (h)
4 | Qn<40 | 24
3 | 40≤Qn< 200 | 12
2 | 200≤Qn≤ 1.200 | 6
1 | Qn>1200 | 1
Qn= maximale flowcapaciteit
6.9. Het verschil tussen twee opeenvolgende metingen van de calorische bovenwaarde mag niet meer dan 10% bedragen. In het geval dit meer is zal de meetfrequentie opgevoerd moeten worden tot dat aan deze eis voldaan wordt.
6.10. In het geval aangetoond wordt dat de nauwkeurigheid met een lagere meetfrequentie gewaarborgd is, mag, na toestemming van de minister, met deze lagere frequentie worden gemeten.
6.11. Het maximale meetinterval van de calorische bovenwaarde ten behoeve van een verdelingsberekening volgt, afhankelijk van de klasse-indeling op basis van de maximale flowcapaciteit waar de meting betrekking op heeft, uit tabel 3.
Tabel 3. Meetinterval calorische bovenwaarde t.b.v. verdelingberekening
Klasse | Qn (m3n/h) | Max. Interval Hs-bepaling
4 | Qn<40 | 1 x per jaar
3 | 40≤Qn< 200 | 1 x per jaar
2 | 200≤Qn≤ 1.200 | 1 x per maand
1 | Qn>1200 | 1 x per dag
Qn= maximale flowcapaciteit
6.12. Het verschil tussen twee opeenvolgende metingen van de calorische bovenwaarde ten behoeve van een verdelingsberekening mag niet meer dan 5% bedragen. In het geval dit meer is zal de meetfrequentie opgevoerd moeten worden tot dat aan deze eis voldaan wordt of zal het verschil worden toegevoegd aan de onnauwkeurigheid.
6.13. De onnauwkeurigheid van de meting van de calorische bovenwaarde moet opgenomen worden in het meetprotocol, op basis van leverancierspecificaties van de meetapparatuur.
6.14. In het meetprotocol moet op basis van de leverancierspecificaties en de nauwkeurigheid van de kalibratiemiddelen, de kalibratiefrequentie worden vastgesteld, waardoor de onnauwkeurigheid bedoeld als in 6.12 gewaarborgd blijft.
- Regeling
- Regeling garanties van oorsprong
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 02-09-2026
- BWB-id
- BWBR0035971
- Versie
- 2026-09-02_0