wetzoeker

5 — Alternatieve meting Regeling garanties van oorsprong

Alternatieve meting

5.1. De producent kan een meetgegeven via een alternatieve meting bepalen, indien meten met meetinrichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 niet mogelijk is omdat:

a. geen goede meting mogelijk is van de energiehoeveelheid,

b. het plaatsen van een meetinrichting tot aantasting van de veiligheid van de installatie zou leiden;

c. het plaatsen of verbeteren van een meetinrichting tot onevenredig hoge kosten zou leiden, of

d. een meetinrichting in storing is geraakt als bedoeld onder 2.8 tot en met 2.10.

5.2. De alternatieve meting voldoet aan de hieronder genoemde voorwaarden.

5.3. De producent verstrekt in het meetprotocol een uitvoerige motivatie voor het afwijken van hoofdstuk 4, waarin tenminste wordt opgenomen:

a. een beschrijving van de technische onmogelijkheid om hoofdstuk 4 toe te passen, of

b. de overwegingen omtrent de veiligheid van de installatie op grond waarvan hoofdstuk 4 niet toegepast kan worden, of

c. een onderbouwde raming van de kosten die het aanpassen van de betrokken meetinrichting aan het toepassen van hoofdstuk 4 zouden vergen, en

d. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van hoofdstuk 4 bereikt zou zijn, en

e. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van de alternatieve meting bereikt zal worden.

5.4. De wijze van het bepalen van de meetgegevens door middel van alternatieve meting wordt nauwkeurig vastgelegd in het meetprotocol voor de productie-installatie en wordt voorafgaand aan de toepassing daarvan goedgekeurd door een gecertificeerd meetbedrijf.

5.5. De alternatieve meting gebruikt geen kentallen of andere gegevens die het meten van de daadwerkelijke hoeveelheid energie beïnvloeden.

5.6. De onnauwkeurigheid van een meetgegeven, vastgesteld op grond van alternatieve meting, is in beginsel gelijk aan of lager dan de onnauwkeurigheid die hoofdstuk 4 ten aanzien van de desbetreffende meting vereist.

5.7. Indien de onnauwkeurigheid van een meetgegeven, vastgesteld op grond van alternatieve meting, hoger is dan de onnauwkeurigheid die hoofdstuk 4 ten aanzien van de desbetreffende meting vereist, wordt het opgegeven meetgegeven als volgt gecorrigeerd:

a. voor thermische energie die aan de productie-installatie wordt toegevoerd: de meetwaarde wordt vermeerderd met het verschil tussen de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid en

b. voor thermische energie die de productie- installatie produceert: de meetwaarde wordt verminderd met het verschil tussen de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid.

5.8. De wijze waarop de correctie volgens 5.7 wordt aangebracht, wordt beschreven in het meetprotocol.

5.9. Zowel het oorspronkelijke meetgegeven als het meetgegeven na de correctie volgens 5.7 wordt in het meetrapport opgenomen.

Regeling
Regeling garanties van oorsprong
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
02-09-2026
BWB-id
BWBR0035971
Versie
2026-09-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl