wetzoeker

Bijlage 9 — als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b (deel 1) Dierproevenregeling 2014

als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b

HBO-opleidingseisen ten behoeve van een erkenning voor de functie biotechnicus.

I Inleiding

De specifieke proefdierkundige leerdoelen van het opleidingstraject zijn dat de student na het succesvol afsluiten van het traject:

– De juiste attitude bezit om ethisch verantwoord proefdierkundig werk te kunnen uitvoeren.

– Kennis heeft van de setting (motivatie keuze diermodel, relevantie onderzoek, wettelijk kader) waarin dierexperimenten plaatsvinden.

– Kennis heeft van, en inzicht heeft in de anatomie/fysiologie, gezondheid en welzijn, gedrag en voedingsbehoefte van relevante diersoorten dat bijdraagt aan verantwoord diergebruik.

– Basisvaardigheden bezit om zich later in het werkveld snel biotechnische vaardigheden eigen te kunnen maken.

Uitgangspunten bij deze opleidingseisen zijn:

– het welzijn van proefdieren centraal stellen, zoals dat in Nederland gebruikelijk is;

– de Wet op de dierproeven;

– de vergelijkbaarheid van opleidingseisen tussen EU-landen, daarom is er aangesloten bij de ‘A working document on the development of a common education and training framework to fulfill the requirements under the directive’ http://ec.europa.eu/environment/chemicals/lab_animals/pdf/Endorsed_E-T.pdf

– de wettelijk vastgestelde kaders t.a.v. de organisatie binnen het Hoger Onderwijs

II Kenmerken HBO-opleiding voor de functie biotechnicus

Aan de volgende 3 aspecten dient voldaan te zijn:

4) HBO- niveau met voldoende biologische basiskennis. Referentie:

– Domein Applied Science, specifiek de opleiding tot Bachelor Biologie & Medisch Laboratoriumonderzoek (Opleidingscode 34397) of

– Domein Dier en veehouderij, specifiek de opleiding tot Bachelor Diermanagement (Opleidingscode 34333).

Voor personen van andere opleidingen uit deze (of uit andere) domeinen wordt door de coördinator, in overleg met de examencommissie, van het opleidingsinstituut vastgesteld of zij toelaatbaar zijn of niet.

5) Het programma voor het geheel aan specifieke proefdierkundige theorie en praktijktrainingen op het opleidingsinstituut.

6) Specifieke proefdierkundige eisen aan stage/afstudeeropdracht (cq. praktijk-ervaringsperiode).

Ad 2: Specifieke theorie en praktijktrainingen op het opleidingsinstituut

De theorie en praktijktrainingen op het opleidingsinstituut kunnen worden onderscheiden in basis en diersoortspecifieke modulen (tabel 1).

– De diersoortspecifieke modulen richten zich op diersoorten gebruikt in biomedisch onderzoek of op andere diersoorten die relevant zijn voor het werkveld na de opleiding. Studenten die tijdens hun studie weten dat ze met andere diersoorten willen werken, kunnen, indien die mogelijkheid bij een opleidingsinstituut aanwezig is, modulen met betrekking tot andere diersoorten volgen.

– De opleidingsinstituten bepalen zelf hoe zij de modulen inbedden in het onderwijs.

Tabel 1: Overzicht van modulen die deel uitmaken van de proefdierkundige theorie en praktijktrainingen op het opleidingsinstituut

Nummer1 | Basismodulen theorie

1 | Wetgeving

2 | Ethiek, dierenwelzijn en de 3 V’s - niveau 1

3.1 | Basis en relevante biologische kennis

4 | Verzorging, gezondheid en behandeling van dieren

5 | Herkennen van pijn, lijden en angst

6.1 | Manieren van humaan doden

7 | Eenvoudige (non-)invasieve procedures zonder verdoving

10 | Opzetten van procedures en projecten

20 | Anesthesie voor eenvoudige procedures

22 | Beginselen van de chirurgie

Diersoortspecifieke modulen theorie

3.1 | Basis en relevante biologische kennis

4 | Verzorging, gezondheid en behandeling van dieren

5 | Herkennen van pijn, lijden en angst

7 | Eenvoudige (non-)invasieve procedures zonder verdoving

20 | Anesthesie voor eenvoudige procedures

Diersoortspecifieke modulen praktijk

3.2 | Basis en relevante biologische kennis

6.2 | Manieren van humaan doden

8 | Eenvoudige (non-)invasieve procedures zonder verdoving

20 | Anesthesie voor eenvoudige procedures

22 | Beginselen van de chirurgie

1 http://ec.europa.eu/environment/chemicals/lab_animals/pdf/Endorsed_E-T.pdf

– De omschrijving van de modulen met de bijbehorende leerdoelen wordt vermeld in bijlage 1.

– De relevantie en toepassing van verschillende modulen en leerdoelen kunnen per diersoort verschillen. Opleidingsinstituten kunnen diersoortspecifieke accenten en toepassingen aanbrengen.

– De keuze van de diersoort voor het oefenen van praktische vaardigheden wordt door het opleidingsinstituut bepaald.

– Het doel en de inhoud van de praktijktraining moet dusdanig zijn dat naast eenvoudige handelingen ook standaard invasieve ingrepen worden aangeleerd, zodat de student zich bewust wordt van de vele facetten van dierexperimenteel handelen en zijn competenties daarin.

– De aan te leren technieken dienen zodanig beheerst te worden dat ze een basis vormen waarop in de beroepspraktijk voortgebouwd kan worden om snel en verantwoord dierexperimenten uit te kunnen voeren. De technieken dienen zo mogelijk in de vorm van een dierexperimentele vraagstelling en een daaraan gekoppelde experimentele opstelling aangeleerd te worden. De minimale eisen met betrekking tot het praktisch onderwijs zijn het aanleren van:

– twee verschillende injectietechnieken op een levend wakker dier;

– een bloedafnametechniek;

– een manier van doden;

– twee invasieve ingrepen, inclusief anesthesie en hechttechnieken, waarbij er één beheerst wordt.

– Naast het aanleren van praktische vaardigheden is het vormen van een juiste attitude een belangrijk leerdoel.

Ad 3) Specifieke proefdierkundige eisen aan stage/afstudeeropdracht (cq praktijkervaringsperiode)

De stageperiode dient een omvang van minimaal 4 maanden te hebben en te worden uitgevoerd bij een erkende instelling die dierproeven uitvoert en/of proefdieren fokt. Dit kan een Nederlandse instelling zijn of een instelling binnen de EU. Voor instellingen buiten de EU dient eerst te worden vastgesteld of zij dezelfde criteria met betrekking tot dierenwelzijn en alternatieven hanteren als instellingen binnen de EU.

Gedurende de stageperiode werkt de student minimaal 150 uur direct mee aan een proefdier gerelateerd onderzoek.

De specifieke leerdoelen van de stageperiode zijn:

Het verwerven van competenties met betrekking tot minimaal 3 modulen uit tabel 1, passend bij de studieloopbaan van de student, minimaal op het niveau van analyseren volgens taxonomie van Bloom

2 http://talentstimuleren.nl/thema/stimulerend-signaleren/rijke-leeractiviteiten/bloom

.

– De juiste attitudevorming om ethisch verantwoord proefdierkundig werk te kunnen uitvoeren.

– Kennis verwerven van de volgende aspecten betreffende het proefdierkundig werk waaraan is meegewerkt (niveau 1-3 volgens taxonomie van Bloom

2 http://talentstimuleren.nl/thema/stimulerend-signaleren/rijke-leeractiviteiten/bloom

):

a. de ‘setting’ waarin de dierexperimenten/fok plaatsvinden (motivatie voor het gekozen diermodel, betekenis van het onderzoek, plaats in de betreffende literatuur etc);

b. de ethische verantwoording/mogelijke alternatieven;

c. motivaties gebruikte diersoort, aantallen dieren, maatregelen tegen ongerief;

d. indien van toepassing: methoden anesthesie, herkomst van dieren, huisvestings- en verzorgingsaspecten, inclusief de rol van alle betrokkenen.

Over de proefdierkundige werkzaamheden dient de student een verslag te schrijven, waaruit duidelijk blijkt dat is voldaan aan bovenstaande eisen. Het verslag wordt beoordeeld door de begeleider van het opleidingsinstituut na consultering van de stage verlenende instelling.

De opleidingsinstituten zijn vrij om desgewenst aanvullende eisen aan de inhoud en omvang van de stageperiode te stellen.

Toetsing:

– Of de student qua omvang van werkzaamheden en qua inhoud aan voornoemde eisen voldoet is ter beoordeling van het opleidingsinstituut in overleg met de begeleider vanuit de onderzoeksinstelling.

– De wijze waarop dit wordt geregistreerd is middels een aftekenlijst voor de specifieke handelingen en een verslag over de proefdierkundige werkzaamheden.

Regeling
Dierproevenregeling 2014
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
19-09-2026
BWB-id
BWBR0035873
Versie
2026-09-19_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl