Aandachtspunten handhaving Beleidsregels waarderingskader uitvoering Wet kinderopvang
○ Handhavingstaak duidelijk beleggen
Het is zaak om binnen de gemeentelijke organisatie de handhavingstaak van kinderopvang te structureren zodat deskundige inbreng is gewaarborgd.
○ Voortgangsbewaking ingezette acties/ GIR Handhaven
Voor een goed overzicht is het belangrijk dat de gemeente een voortgangsbewaking hanteert voor de ingezette handhavingsacties. Op die manier is er een duidelijk controlespoor voor het handhavingsproces. Data van inspectiebezoeken van de GGD kunnen worden gekoppeld aan een overzicht van alle aanwezige kinderopvanglocaties binnen de gemeente. De GGD geeft bij elk inspectierapport een eindadvies en brengt daarbij de tekortkomingen in beeld. Deze kunnen in het systeem weergegeven worden. Het is vervolgens van belang dat handhavingsacties per geconstateerde tekortkoming inzichtelijk zijn, inclusief de afgesproken hersteltermijnen. Na afloop van deze hersteltermijnen kan men resultaten van de ingezette handhavingsacties in een voortgangssysteem bijhouden. Zijn de tekorten na de hersteltermijn nog niet opgelost, dan vindt zo nodig nader onderzoek plaats. Het verloop daarvan kan ook in dit systeem worden bijgehouden.
Met dit systeem beperkt de gemeente bij eventuele uitval van de behandelend medewerker de achterstand. Toegankelijkheid is dan ook noodzakelijk voor iedere betrokken medewerker. Veel gemeenten maken inmiddels gebruik van GIR Handhaven. Dit kan een invulling geven aan het voortgangssysteem.
○ Mandatering handhavingstaken
Gemeenten kunnen ervoor kiezen de uitvoering van een deel van de handhavingstaken te mandateren aan de GGD. Gemeenten en GGD-en kunnen hier aan de hand van werkafspraken praktische invulling aan geven.
○ Communicatie tussen gemeente en GGD
Goede en tijdige afspraken over communicatie tussen gemeente en GGD zijn essentieel. Idealiter hebben zij na afronding van het rapport contact over de geconstateerde tekortkomingen en de handhavingsadviezen, zeker als sprake is van een moeilijke situatie. Dit initiatief kan uitgaan van de GGD-toezichthouder, maar ook de gemeenteambtenaar kan hierbij het voortouw nemen. Ook is het van belang dat gemeente en GGD van elkaar weten wat de ander doet bij tekortkomingen en wel of geen inzet van handhaving bij een kinderopvanglocatie.
○ Samenwerking met andere gemeenten
De handhavingstaak is een relatief kleine uitvoeringstaak. Hierdoor is borging van de kwaliteit en deskundigheid een probleem. Dit kan ondervangen worden door samen te werken met andere gemeenten, bijvoorbeeld in een grote centrumgemeente of op GGD-regioniveau. Dan verloopt ook de communicatie tussen de GGD-en gemeenten effectiever en efficiënter.
○ Handhavingsbeleid
In de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is geen verplichting opgenomen dat het handhavingsbeleid door het college van B&W moet worden vastgesteld. De eindverantwoordelijkheid voor de handhaving is wel belegd bij het college van B&W. De betrokken partijen (VNG, GGD GHOR Nederland, SZW, inspectie) zijn van mening dat vaststelling van een handhavingsbeleid voor een adequate uitvoering binnen de gemeente wenselijk is.
Het is belangrijk dat het handhavingsbeleid wordt vastgesteld door het college van B&W. Met dit beleid kan de gemeente de motivering van een handhavingsactie, rechtsgelijkheid en transparantie borgen richting de houders. Gemeenten kunnen incidenteel afwijken van hun handhavingsbeleid, maar moeten dit onderbouwen. De inspectie toetst of de gemeente de handhaving uitvoert conform het eigen handhavingsbeleid.
○ Handhaving binnen redelijke termijn
De gemeente moet voortvarend handhaven. Het gaat hier om de eerste actie die de gemeente onderneemt richting houder nadat er een definitief inspectierapport beschikbaar is waarin tekortkomingen zijn vastgesteld.
In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur opgenomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel.
Het project Achterblijvende Gemeenten Kinderopvang heeft bij de beoordeling van de handhaving een aantal van deze beginselen aan gemeenten 'meegegeven' als pijlers voor een handhavingsbeleid. Dit geldt ook voor de 'redelijke' termijn. De Wko geeft de gemeente geen termijn om de handhaving op te pakken, c.q. uit te voeren.
De Awb geeft in artikel 4:14 een periode van acht weken als redelijke termijn. In die situatie gaat het echter over een besluit op een aanvraag en niet over het inzetten van handhaving. Toch gebruikt de inspectie deze termijn als richtsnoer voor het formuleren van een aandachtspunt ten aanzien van de tijd tussen het ontvangen van het GGD-rapport en het daadwerkelijk optreden naar de houder door de gemeente. De acht weken-termijn is echter wel afhankelijk van de situatie. Is de veiligheid van kinderen in het geding en is snelle actie geboden, dan is acht weken te lang.
Op 28 februari 2013 heeft Bureau Bartels het rapport ‘Effectiviteit van de handhaving in de kinderopvang’ gepubliceerd. Eén van de bevindingen uit het onderzoek is dat handhaving het meest effectief is als er binnen twee weken na constatering een handhavingsactie wordt ingezet.
Dit heeft een positieve invloed op het nalevingsgedrag van houders in de kinderopvang. In zijn brief van 29 november 2013 aan de Kamer heeft de minister van SZW aangegeven dat ‘de tijdigheid van de inzet van de handhavingsinterventies bepalend is voor de effectiviteit van de handhaving’.
- Regeling
- Beleidsregels waarderingskader uitvoering Wet kinderopvang
- Soort
- Beleidsregel
- Geldend vanaf
- 01-10-2014
- BWB-id
- BWBR0035594
- Versie
- 2014-10-01_0