wetzoeker

2.10 — Vorderen van gegevens (deel 1) Aanwijzing opsporingsbevoegdheden

Vorderen van gegevens

Algemeen

Indien in het belang van het opsporingsonderzoek vastgelegde gegevens moeten worden verkregen die aanwezig zijn bij een derde, dan geldt als uitgangspunt dat de wettelijke regeling van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens wordt toegepast (artt. 126nc/126uc–126nh/126uh Sv). De wettelijke regeling van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens kent namelijk waarborgen met het oog op de bescherming van de gegevens van de persoon of de personen op wie de gegevens betrekking hebben en ziet toe op behartiging van de belangen van anderen, zoals die van derden.

Kortom de hoofdregel luidt dat opgeslagen/vastgelegde gegevens moeten worden gevorderd. Uitzonderingen hierop zijn:

– Zonder vordering kan een burger gegevens verstrekken op basis van vrijwillige medewerking (hieronder wordt verstaan op eigen initiatief of desverzocht door de opsporingsambtenaar).

– Een bedrijf of instelling kan zonder vordering gegevens verstrekken, indien die verstrekking gepaard gaat met aangifte. Dan is sprake van gegevens die op eigen initiatief zijn verstrekt.

– Geen vordering is nodig voor gegevens die vrij opvraagbaar zijn (bijvoorbeeld het openbaar deel van het register van het Kadaster/de Kamer van Koophandel of het internet).

– Evenmin is een vordering nodig indien de gegevens op grond van bijzondere wetgeving kunnen worden verkregen. Wel geldt dat de regeling omtrent inbeslagneming in dit geval niet kan worden toegepast als het doel uitsluitend is de verkrijging van gegevens die staan op de gegevensdrager en niet om de gegevensdrager zelf.

Uiteraard kan een bedrijf/instelling buiten de regeling van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens om, vrijwillig uit eigen beweging gegevens verstrekken die niet onder de bescherming van de Wet bescherming persoonsgegevens vallen.

Op grond van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens (artt. 126nc/126uc-126nh/126uh Sv) kunnen in beginsel bij derden gegevens worden opgevraagd over elke persoon van wie de gegevens van belang kunnen zijn voor het onderzoek, zoals een slachtoffer of een bekende van de verdachte. Het beginsel van proportionaliteit brengt met zich mee dat de eventuele beperking van de persoonlijke levenssfeer van de perso(o)n(en) over wie gegevens worden gevorderd in verhouding moet staan tot het belang van het opsporingsonderzoek. In het geval gegevens worden opgevraagd over niet-verdachte personen zal het beginsel van proportionaliteit hogere eisen stellen aan de motivering ten aanzien van het toepassen van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens dan in het geval er gegevens worden gevorderd over een verdachte.

Onder het begrip gegevens wordt iedere weergave van feiten, begrippen of instructies verstaan, die geschikt is voor overdracht of verwerking door personen of systemen. Gegevens moeten zijn weergegeven, opgeslagen of vastgelegd op een permanente of semi-permanente gegevensdrager (bijvoorbeeld op schrift, microfiche, tape, diskette, cd-rom of werkgeheugen).

De gegevens die worden gevorderd van een derde dienen in beginsel binnen het bereik te liggen van de normale activiteiten van deze derde en mogen geen onevenredige inspanning van de derde vergen. De bevoegdheden tot het vorderen van gegevens geven geen bevoegdheid om een derde te bevelen om gegevens te analyseren, vergelijken of combineren teneinde nieuwe gegevens te verkrijgen. De derde tot wie de vordering tot het verstrekken van gegevens is gericht, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de derde weigert te voldoen aan een vordering, dan kan dit een overtreding van art. 184 Sr opleveren.

Een vordering verstrekking van gegevens mag niet ongericht jegens derden worden toegepast. Een vordering verstrekking van identificerende gegevens (artt. 126nc/126uc Sv) kan slechts worden gericht aan een derde indien er aanwijzingen zijn dat deze derde gegevens kan hebben over een persoon die van belang kunnen zijn voor het opsporingsonderzoek. Een vordering verstrekking van andere dan identificerende gegevens (artt. 126nd/126ud en 126ne/126ue Sv) kan slechts worden gericht aan een derde indien op basis van feiten of omstandigheden redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze derde de beschikking heeft of krijgt over de te vorderen gegevens.

In art. 126nc/126uc Sv wordt onder een derde verstaan degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt. Hiermee wordt een persoon, instantie of bedrijf bedoeld die vanwege een bepaalde functie of beroepsuitoefening gegevens verwerkt.

Op grond van de bevoegdheid tot het vorderen van identificerende gegevens (artt. 126nc/126uc Sv) kunnen slechts identificerende gegevens worden gevorderd over een bepaalde persoon. De identificerende gegevens van een groep personen kunnen worden verkregen op grond van de bevoegdheid tot het vorderen van andere dan identificerende gegevens (artt. 126nd/126ud en 126ne/126ue Sv).

In het geval toekomstige gegevens worden gevorderd op grond van de artt. 126ne/126ue Sv, kan de situatie zich voordoen dat de officier van justitie in het belang van het onderzoek aan een derde verzoekt om de dienstverlening met een klant voort te zetten, zodat de derde de gegevens blijft ontvangen en desgevorderd ter beschikking van justitie kan stellen. De vordering toekomstige gegevens is in zo’n geval reeds op schrift gesteld. De officier van justitie behoeft een dergelijk verzoek om de dienstverlening voort te zetten niet, afzonderlijk en expliciet, op schrift te stellen. Mocht het zo zijn dat – achteraf gezien – de voortgezette relatie tot gevolg heeft gehad dat de derde hierdoor mogelijk strafbare feiten heeft gepleegd, dan zal de derde er in zo’n geval op mogen vertrouwen dat er geen sprake van kan zijn dat hij vervolgd wordt in verband met bijvoorbeeld medeplichtigheid aan het plegen van een strafbaar feit. De derde heeft immers voldaan aan een vordering van de officier van justitie. Indien de derde echter vooraf uitdrukkelijk om een schriftelijke vrijwaring verzoekt, dan kan deze door de officier van justitie worden gegeven indien er daadwerkelijk een kans bestaat dat de derde door aan de vordering te voldoen handelingen verricht die als een strafbaar feit zouden kunnen worden aangemerkt.

Indien de officier van justitie in het kader van het vorderen van toekomstige gegevens aan de derde vraagt om actief medewerking te verlenen aan het uitvoeren van bepaalde handelingen die meer omvatten dan het voortzetten van de normale dienstverlening, dan zullen deze handelingen komen te vallen onder het bereik van de bevoegdheden burgerpseudokoop of -dienstverlening, en zal er in zo’n geval een overeenkomst met de derde opgesteld moeten worden.

De bevoegdheid tot het vorderen van de bevriezing van gegevens geeft geen bevoegdheid om van een derde te vorderen om heel in het algemeen gegevens voor een bepaalde termijn vast te leggen. Een vordering kan namelijk slechts in een bepaald geval (indien het onderzoek dit dringend vordert) en ten aanzien van gespecificeerde gegevens worden gedaan.

Procedure

De vordering verstrekking van gegevens op grond van de artt. 126nc/126uc–126nh/126uh Sv is schriftelijk en vermeldt de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de (rechts)persoon over wie de gegevens worden gevorderd, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gegevens die worden gevorderd en de termijn waarbinnen en de wijze waarop de gegevens dienen te worden verstrekt en het wetsartikel op grond waarvan de vordering wordt gedaan.

Een vordering verstrekking van gegevens dient zoveel mogelijk geconcretiseerd te zijn ten aanzien van de persoon met betrekking tot wie gegevens worden opgevraagd, alsook ten aanzien van de te vorderen gegevens. Indien de vordering geen betrekking heeft op een bepaalde persoon, dan zullen de te vorderen gegevens zoveel mogelijk in de vordering moeten worden beperkt in tijd, plaats of groep van personen.

Regeling
Aanwijzing opsporingsbevoegdheden
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-05-2026
BWB-id
BWBR0035498
Versie
2026-05-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl