3.4 — Vaststelling (deel 1) Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Vaststelling
De vaststelling van de subsidie volgt op de vaststellingsaanvraag van de subsidieontvanger. Deze dient daarbij een eindverslag in over het uitgevoerde project, voorzien van een laatste berekening met de NIKI rekenmethode van de maximaal toegestane subsidie. De onderneming gebruikt hierbij realisatiecijfers voor alle projectjaren (zowel de investeringsfase als de exploitatiefase) en extrapoleert de exploitatiejaren 6 tot en met 10 lineair naar het elfde tot en met het jaar einde economische levensduur van de NIKI-installatie. De gehanteerde cijfers dienen te worden toegelicht in het eindverslag en te worden ondersteund door een controleverklaring van een accountant.
Tegelijk met de financiële berekeningen, wordt uit het gerealiseerde productievolume gedurende de tien jaren van de exploitatiefase afgeleid hoe groot de bereikte CO2-emissiereductie is.
Eerder in dit hoofdstuk is aangegeven dat de vast te stellen subsidie altijd het mindere is van de volgende drie bedragen:
• de benodigde subsidie volgens de NIKI rekenmethodiek, onder toepassing van het claw-back mechanisme;
• de subsidie-intensiteit volgens de aanvraag (€/ton CO2) vermenigvuldigd met de daadwerkelijk vermeden CO2-emissie (ton) cumulatief over de exploitatiefase van het NIKI project; of
• de toegekende subsidie.
Er zijn daarom in principe zes situaties denkbaar waarin elk van deze drie bedragen groter of kleiner is dan de andere twee, en alle bedragen positief of nul zijn.
In onderstaande voorbeelden worden deze situaties nader uitgewerkt. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat de voorbeelden uitsluitend zijn bedoeld om de werking van de verschillende mechanismen te verduidelijken. Op geen enkele manier zijn de voorbeelden of de getallen bedoeld als maatgevend geachte waarden van een ingediende NIKI aanvraag.
In het geval de benodigde subsidie een negatieve waarde heeft, dan wordt de subsidie op nihil vastgesteld.
In het geval de aanvrager te veel subsidie heeft ontvangen, dan zal aanvrager deze moeten terugbetalen. Over het bedrag dat terugbetaald moet worden, wordt de door de Europese Commissie voorgeschreven wettelijke rente op te veel ontvangen subsidie geheven.
Om de zes gevallen dat de berekende subsidie minimaal EUR 0 is te verduidelijken, is voor elk geval een situatie geschetst. Deze zijn hieronder visueel weergegeven.
Kenmerken fictieve aanvraag en subsidieverlening:
• Bod: € 50/ton vermeden CO2
• Geraamde emissiebesparing volgens NIKI CO2 emissiereductie methode: 1.200.000 ton CO2
• Toegekende subsidie: € 60.000.000, gebaseerd op het bod vermenigvuldigd met de geraamde CO2 emissiebesparing.
Situatie 1
Deze situatie weerspiegelt de situatie waarin de onderneming bij gelijkblijvend of zelfs gegroeid productievolume het project kosten efficiënter uitvoert dan gepland. De onderneming realiseert minstens de oorspronkelijk geraamde emissiereductie en profiteert van de gerealiseerde efficiëntie door het behouden van een deel van de besparingen.
Projectresultaat:
• Gerealiseerde emissiebesparing: minstens 1.200.000 ton CO2. Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) ≥ € 60.000.000.
• Benodigde subsidie berekend uit de NIKI rekenmethode: € 55.000.000, is € 5.000.000 lager dan de toegekende subsidie
• Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) ≥ toegekende subsidie > benodigde subsidie.
• Claw-back mechanisme: 40% van de gerealiseerde efficiëntie is voor de onderneming, 40% x € 5.000.000 = € 2.000.000.
• Vast te stellen subsidie = benodigde subsidie + aandeel in de claw-back = € 55.000.000 + 2.000.000 = € 57.000.000.
• Controle: de subsidie-intensiteit daalt (tot € 57.000.000/1.200.000 ton CO2 = € 47,5/ton vermeden CO2). Dit is minder dan het bod, en daarom toegestaan.
Situatie 2
In deze situatie heeft de ondernemer aanzienlijke besparingen gerealiseerd, maar net niet de geraamde productie behaald. Hij heeft daardoor niet de volledige CO2-emissiereductie van de aanvraag gerealiseerd.
Projectresultaat:
• Gerealiseerde emissiebesparing: 1.100.000 ton CO2. Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 55.000.000.
• Benodigde subsidie berekend uit de NIKI rekenmethode: € 50.000.000, is € 10.000.000 lager dan de toegekende subsidie
• Bedrag toegekende subsidie > (bod x gerealiseerde emissiereductie) > benodigde subsidie
• Claw-back mechanisme: 40% van de gerealiseerde efficiëntie is voor de onderneming, 40% x € 10.000.000 = € 4.000.000.
• Vast te stellen subsidie = benodigde subsidie + aandeel in de claw-back = € 50.000.000 + 4.000.000 = € 54.000.000.
• Controle: de subsidie-intensiteit daalt (tot € 54.000.000/1.100.000 ton CO2 = € 49,0/ton vermeden CO2). Dit is minder dan het bod, en daarom toegestaan.
Situatie 3
In deze situatie heeft de ondernemer net als in scenario 2 aanzienlijke besparingen gerealiseerd, maar is daarin iets minder succesvol. Wederom is de geraamde productie net niet behaald. Hij heeft daardoor niet de volledige CO2-emissiereductie van de aanvraag gerealiseerd.
Projectresultaat:
• Gerealiseerde emissiebesparing: 1.100.000 ton CO2. Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 55.000.000.
• Benodigde subsidie berekend uit de NIKI rekenmethode: € 52.000.000, is € 8.000.000 lager dan de verleende subsidie
• Claw-back mechanisme: 40% van de gerealiseerde efficiëntie is voor de onderneming, 40% x € 8.000.000 = € 3.200.000. Benodigde subsidie + aandeel in de claw-back = € 52.000.000 + 3.200.000 = € 55.200.000
• Bedrag toegekende subsidie > benodigde subsidie + aandeel in de claw-back > (bod x gerealiseerde emissiereductie)
• Vast te stellen subsidie = (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 55.000.000. De subsidie-intensiteit is in dit scenario de beperkende factor, en blijft bij de subsidievaststelling gelijk aan het bod (hetgeen is toegestaan).
• Als de subsidie zou zijn vastgesteld onder verwerking van de volledige claw-back, dan zou de subsidie-intensiteit meer worden dan het bod (hetgeen niet is toegestaan).
Situatie 4
In deze situatie is de ondernemer erin geslaagd meer te produceren dan bij aanvraag werd verwacht, waardoor er ook meer CO2-emissie is bespaard. Helaas betaalt de markt minder voor het product dan werd verwacht, waardoor er meer subsidie nodig is om het rendement te realiseren waarop de aanvraag is gebaseerd. Er is daardoor geen werking van het claw-back mechanisme.
Projectresultaat:
• Gerealiseerde emissiebesparing: 1.300.000 ton CO2. Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 65.000.000.
• Benodigde subsidie berekend uit de NIKI rekenmethode: € 62.000.000, is € 2.000.000 hoger dan de verleende subsidie
• Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) > benodigde subsidie > toegekende subsidie
• Vast te stellen subsidie = toegekende subsidie = € 60.000.000.
• Controle: de subsidie-intensiteit daalt (tot € 60.000.000/1.300.000 ton CO2 = € 46,1/ton vermeden CO2). Dit is minder dan het bod, en daarom toegestaan.
Situatie 5
De ondernemer heeft in deze situatie vooral te maken met tegenvallers. Hij is geconfronteerd met tegenvallers in de kosten van de productie en heeft daarom minder geproduceerd dan bij aanvraag werd verwacht. Er is hierdoor ook minder CO2 emissie bespaard. Door de toegenomen kosten en de grotere steun die nodig is, is er geen werking van het claw-back mechanisme.
Projectresultaat:
• Gerealiseerde emissiebesparing: 1.100.000 ton CO2. Bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 55.000.000.
• Benodigde subsidie berekend uit de NIKI rekenmethode: € 62.000.000, is € 2.000.000 hoger dan de verleende subsidie
• Benodigde subsidie > toegekende subsidie > bedrag (bod x gerealiseerde emissiereductie)
• Vast te stellen subsidie = (bod x gerealiseerde emissiereductie) = € 55.000.000. De subsidie-intensiteit is in dit scenario de beperkende factor, en blijft bij de subsidievaststelling gelijk aan het bod (hetgeen is toegestaan).
Situatie 6
- Regeling
- Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 25-09-2026
- BWB-id
- BWBR0035474
- Versie
- 2026-09-25_0