wetzoeker

7 — Stap 7: Controle op negatieve neveneffecten Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies

Stap 7: Controle op negatieve neveneffecten

Transport en gebruik van NIKI-producten zijn geen onderdeel van de systeemgrens in de NIKI CO2-emissiereductiemethode. Veranderingen in emissies in deze levenscyclusfases zijn daarom geen onderdeel van de emissiereductieberekening. Om ongewenste effecten voor de maatschappij te voorkomen, moet u in deze stap echter nog wel controleren of er negatieve neveneffecten in deze fases optreden. Dit is het geval wanneer er additionele emissies ontstaan tijdens transport en gebruik van de NIKI-producten door het vervangen van conventionele producten door NIKI-producten. Deze additionele emissies mogen de totale emissiereductie van het NIKI-project, die in stap 6 is berekend, niet overschrijden. De aanvraag wordt afgewezen als dit toch het geval is.

Er treden geen negatieve neveneffecten op als het NIKI-product fysiek identiek is aan het referentieproduct en het referentieproduct in de markt een-op-een zal vervangen. In dit geval hoeft u voor dit product geen verdere onderbouwing te geven.

Negatieve neveneffecten kunnen bijvoorbeeld ontstaan als een NIKI-product fysiek niet identiek is aan het referentieproduct.

Voorbeeld: Een aanvrager van een NIKI-project produceert een biologisch alternatief voor PIR (Polyisocyanuraat) als gebouwisolatie. Van dit product is 30% meer volume nodig om dezelfde isolatiewaarde te behalen als met PIR. Hierdoor moet de isolatielaag (spouw) breder worden en is er meer isolatiemateriaal nodig en zijn meer bakstenen nodig. De aanvrager dient de extra emissies te berekenen door de productie en het transport van extra bakstenen en de extra transportemissies door additionele ruimte die het NIKI-product inneemt.

Afwijkingen in de benodigde hoeveelheid NIKI-product worden verrekend door toepassing van de correctiefactor, zoals beschreven in Stap 2: referentie bepalen. Emissies tijdens transport en gebruik zijn hier echter geen onderdeel van en moeten daarom in deze stap beoordeeld worden. Dit doet u als volgt:

1. Onderzoek of er veranderingen zijn in emissies tijdens de levenscyclusfases transport en gebruik als gevolg van de toepassing van het NIKI-product ter vervanging van het referentieproduct.

2. Als dit niet het geval is: onderbouw in het NIKI rekenmodel CO2-emissiereductie onder stap 7 dat er geen neveneffecten optreden.

3. Als er wel een verandering in emissies optreedt: beschrijf of dit positieve (minder emissies in vergelijking met de referentie) of negatieve (meer emissies in vergelijking met de referentie) neveneffecten betreft. Positieve neveneffecten benoemt u, maar hoeft u niet verder te onderbouwen of kwantificeren.

4. Als er negatieve neveneffecten optreden, maakt u een berekening bij benadering, waaruit blijkt of deze vermeerdering van emissies de totale emissiereductie door het NIKI-project wel of niet overschrijdt. Als deze berekening erop duidt dat de negatieve neveneffecten 50% of meer van de totale emissiereductie door het NIKI-project bedragen, dient u een gedetailleerde berekening te maken om aannemelijk te maken dat de negatieve neveneffecten de totale emissiereductie niet overschrijden.

Regeling
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
25-09-2026
BWB-id
BWBR0035474
Versie
2026-09-25_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl