wetzoeker

5.1.2.1 — Biogene grondstoffen Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies

Biogene grondstoffen

De biogene grondstoffen moet zijn opgenomen in bijlage IX van de RED-II Richtlijn

8 Richtlijn (EU) 2018/2001, ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

en zijn gecertificeerd. De duurzaamheidsverklaring van de ingekochte biomassa moet uitgegeven zijn door een certificatiesysteem dat door de EU conform artikel 30.4 erkend is voor deze scope. Het certificaat moet van toepassing zijn op de relevante grondstof uit bijlage IX en overeenkomstig de relevante bepalingen van artikel 29.1–29.10 is opgesteld.

Op het moment dat het Besluit duurzaamheid biomassa van kracht is, hanteert de aanvrager met betrekking tot de biogrondstoffen die ten behoeve van de NIKI worden toegepast, een duurzaamheidssysteem dat door de minister is geaccepteerd voor het werkveld waarvoor de geregistreerde het systeem toepast.

Voor input van biogene oorsprong berekent u de emissiefactor op onderstaande wijze. Deze wijkt af van de bronnenhiërarchie in appendix A1 en ook van enkele op de markt gangbare methoden zoals bijvoorbeeld EN15804-A2 en de Nederlandse bepalingsmethode voor bouwproducten.

Nota bene: biogene grondstoffen van plantachtige herkomst nemen middels fotosynthese CO2 op uit de atmosfeer en leggen deze, afhankelijk van de toepassing, meer of minder langdurig vast. Binnen de NIKI-methode kent u geen negatieve emissiefactor toe aan de input als gevolg van de vastlegging van CO2 uit de atmosfeer. Het gebruik van biogene grondstoffen wordt in de einde levensfase begunstigd. In paragraaf 5.4.2.–5.4.4. vindt u hier meer informatie over.

De bijlagen V, deel D en E en bijlage VI deel C van REDII geven de standaardwaarden voor teelt, verwerking, vervoer en distributie waaruit u de emissiefactoren voor biomassa, biogas, biomethaan, vloeibare biomassa of biobrandstoffen afleidt.

Indien in de REDII geen waarden beschikbaar zijn, moet u de bronnenhiërarchie in appendix A1 alsnog volgen met inachtneming van de rekenregels betreffende transport.

Voorbeeld: De emissiefactor voor houtsnippers van bosbouwresten is 5 g CO2/MJ als deze binnen 500 km zijn gewonnen van de NIKI-installatie. U dient echter te corrigeren voor transport en verbranding. De ‘transport’- en niet-CO2-emissies in de RED II emissiefactor zijn respectievelijk 3,0 en 0,4 g CO2/MJ. De winning- en productie-emissies zijn daarmee volgens RED II voor houtsnippers 5 – (3,0 + 0,4) = 1,6 g CO2/MJ. Voor het NIKI-project worden de houtsnippers binnen een straal van 350 km gewonnen en worden vervoerd met een zware trekker + oplegger. Dit vervoer heeft een emissiefactor van 88 g CO2/tonkilometer. Hiermee komen de transportemissies voor de aanvoer van houtsnippers naar de NIKI-installatie op 88 g CO2/(ton km) * 350 km = 30,8 kg CO2/ton. Om dit uit te drukken per MJ houtsnippers, passen we de onderste verbrandingswaarde van houtsnippers toe, 13 MJ/kg. Omgerekend is het dus 2,4 g CO2/MJ. De totale emissies van houtsnippers als input bedragen dan 1,6 + 2,4 = 4,0 g CO2/MJ.

Regeling
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
25-09-2026
BWB-id
BWBR0035474
Versie
2026-09-25_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl