5.1.1 — Rigide en elastische inputs Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Rigide en elastische inputs
Voor iedere input moet u bepalen of het een rigide of elastische input betreft. Daarbij gelden de volgende definities:
• Rigide input: Een input waarvan het aanbod niet verandert bij een verandering van de vraag naar dezelfde input.
• Elastische input: Een input waarvan het aanbod een verandering van de vraag naar dezelfde input volgt door op- of afschaling van de productiecapaciteit.
Een rigide input kan negatieve of positieve neveneffecten hebben in een andere productketen waardoor er juist meer of minder CO2-emissies worden veroorzaakt.
Voorbeeld: Een NIKI-project gebruikt gemeentelijk afval als input. Dit afval wordt hierdoor niet langer verbrand om te voorzien in stadsverwarming. Afval is in dit scenario een rigide input voor het NIKI-proces. Doordat het afval niet wordt verbrand, ontstaan er geen verbrandingsemissies. Echter moet de warmte die voorheen voor stadsverwarming werd gebruikt nu anders worden opgewekt, bijvoorbeeld door het gebruik van een aardgasketel. De emissies voor warmteproductie moeten worden berekend om het effect van het inzetten van afval in het NIKI-project te bepalen, maar de vermeden verbrandingsemissies worden niet verrekend. Rigide inputs hebben dus nooit een negatieve emissiefactor.
Oppervlaktewater en lucht zijn per definitie rigide inputs. In deze methode worden deze twee stromen echter uitgesloten van rigide inputs: er wordt aangenomen dat ongezuiverd oppervlaktewater en lucht functioneel oneindige stromen zijn.
Standaard gaat de berekening uit van een elastische input. U hoeft dan niets te doen. Wanneer er binnen het NIKI-proces sprake is van een rigide input moet u rekening houden met de effecten van een verandering in de vraag van deze input op processen buiten het NIKI-project (extern proces). Daarom neemt u het vervangingseffect voor rigide input bij dat externe proces mee in de berekening. Dat doet u als volgt:
1. Stel vast welke inputs van het NIKI-proces rigide zijn.
2. Stel vast bij welk extern proces het vervangingseffect optreedt.
3. Stel vast of de input bij het externe proces vervangen is door een elastische of rigide input of een combinatie hiervan.
Voorbeeld: Een NIKI-project gebruikt warmte die wordt teruggewonnen uit een bestaand proces. Dit is een rigide input. Om die oorspronkelijke levering van warmte aan andere processen in stand te houden, wordt er een andere bron ingezet. Dit kan bijvoorbeeld aardgasverbranding zijn (elastische input) of verbranden van restgassen (rigide input).
4. Als een rigide input een overvloedig restproduct is dat anders geen nuttige toepassing kent, dan berekent u alleen de emissie voor de voorbehandeling van de input zoals bij een elastische input.
Voorbeeld: Indien een industriële afgasstroom die koolmonoxide (CO) bevat wordt afgeleid van verbranding met uitstoot van de CO2 in de atmosfeer, is de emissie die wordt toegeschreven aan die input 0.
5. Als de rigide input bij het externe proces door een elastische input wordt vervangen, berekent u de extra emissies ten gevolge van deze vervanging volgens de standaard rekenregels voor de desbetreffende inputs.
6. Als de rigide input bij het externe proces door wederom een rigide input wordt vervangen, berekent u ook hiervan het vervangingseffect.
Voorbeeld: In het voorbeeld bij stap 3 wordt bij het externe proces wederom een rigide input ingezet, bijvoorbeeld restgassen uit een chemisch proces die worden ingezet voor het opwekken van proceswarmte, ter aanvulling op de restwarmte die het NIKI-project gebruikt. U moet dan onderzoeken of er een vervangingseffect ontstaat door de inzet van deze restgassen. Bijvoorbeeld of het gebruik ervan leidt tot minder productie van elektriciteit door middel van een warmtekrachtcentrale.
7. De vervangingseffecten worden doorgerekend tot het punt dat alle rigide inputs zijn vervangen door elastische inputs.
Wanneer het referentieproces een rigide input gebruikt, maar het NIKI-proces niet (of het gebruik ervan vermindert) dan vermindert het NIKI-project de vraag naar een rigide grondstof of energiestroom ten opzichte van de referentie. In dit geval berekent u ook het vervangingseffect: in hoeverre leidt de afname van de vraag tot verandering van de emissies in externe processen.
- Regeling
- Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 25-09-2026
- BWB-id
- BWBR0035474
- Versie
- 2026-09-25_0