wetzoeker

Artikel 3 — Voorwaarden LV-borgstellingsovereenkomst Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies

Voorwaarden LV-borgstellingsovereenkomst

De toepasselijkheid van deze LV-borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen indien:

a. de kredietovereenkomst tussen de Financier en de LV-ondernemer na de beslissing door de minister, bedoeld in artikel 8, tot stand is gekomen;

b. binnen 35 dagen na de beslissing, bedoeld onder a, de door de minister op grond van artikel 2.5.4 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en artikel 11 vastgestelde provisie door de Financier aan de Staat is betaald;

c. en voor zover door de beslissing, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar goedgekeurde kredieten of delen daarvan het door de minister op grond van artikel 1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde subsidieplafond niet is overschreden;

d. de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de LV-ondernemer niet zijnde een natuurlijke persoon, zich borg heeft gesteld voor de nakoming door de LV-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het LV-borgstellingskrediet wordt verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het LV-borgstellingskrediet en met een minimum van € 5.000;

e. het LV-borgstellingskrediet niet meer bedraagt dan het tekort aan zekerheden dat bij de Financier ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat;

f. de Financier in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het LV-borgstellingskrediet wordt verstrekt een verplichting voor de LV-ondernemer heeft opgenomen om alle medewerking te verlenen aan het uitoefenen door de Staat van de in artikel 25 genoemde bevoegdheden;

g. de Financier in de door haar gesloten kredietovereenkomst met betrekking tot de nakoming door de LV-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de LV-borgstellingsovereenkomst uit hoofde waarvan het LV-borgstellingskrediet wordt verstrekt een beding ten behoeve van de Staat heeft opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de Staat en de Financier geen bedingen heeft opgenomen, ertoe leidende dat:

1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken,

2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van artikel 869 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

h. door de Financier gelijktijdig met het sluiten van de kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een LV-borgstellingskrediet aan de LV-ondernemer wordt verstrekt, met de LV-ondernemer een kredietovereenkomst is gesloten uit hoofde waarvan de LV-ondernemer over een financieringsfaciliteit beschikt, die niet bestemd is en niet gebruikt wordt voor de aflossing van financieringsfaciliteiten waarover de LV-ondernemer beschikt bij de Financier of aan een rechtspersoon waarmee de Financier in een groep verbonden is;

i. de financieringsfaciliteit, bedoeld in onderdeel h, ten minste 50 procent bedraagt van het LV-borgstellingskrediet;

j. de looptijd van de in onderdeel h bedoelde financieringsfaciliteit ten minste even lang is als de looptijd van het LV-borgstellingskrediet;

k. de Financier in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan de LV-ondernemer over de financieringsfaciliteit, bedoeld in onderdeel h, beschikt, een beding heeft opgenomen waarmee geborgd wordt dat de financieringsfaciliteit gedurende de gehele looptijd, bedoeld in onderdeel j, ten minste 50 procent van het LV-borgstellingskrediet blijft bedragen.

Regeling
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
25-09-2026
BWB-id
BWBR0035474
Versie
2026-09-25_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl