V — Onderbouwing beloning (deel 1) Vragen en antwoorden met betrekking tot besluit Dienstverleningslichamen en zekerheid vooraf (DGB 2014/3101), besluit Behandeling verzoeken zekerheid vooraf in vorm van Advance Tax Ruling (ATR) (DGB 2014/3099)
Onderbouwing beloning
26. Kan de beloning van een dienstverleningslichaam op basis van de cost-plusmethode worden vastgesteld?
Antwoord:
De basis voor de beoordeling van de te hanteren verrekenprijzen wordt gevormd door het raamwerk van art. 8b Wet Vpb 1969, het Verrekenprijsbesluit (Besluit van 14 november, nr. IFZ 2013/184M), het APA-besluit (DGB 2014/3098) alsmede de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations die in 1995 door de OESO zijn gepubliceerd en in 2010 zijn gewijzigd (OESO- richtlijnen).
Ten aanzien van de keuze voor een bepaalde verrekenprijsmethode zegt het Verrekenprijsbesluit:
‘De Nederlandse belastingdienst dient haar onderzoek van de verrekenprijzen conform paragraaf 4.9 van de OESO-richtlijnen altijd te starten vanuit het perspectief van de door belastingplichtige gehanteerde methode ten tijde van de transactie. Dit is in overeenstemming met paragraaf 1.68 van de OESO-richtlijnen. Hieruit volgt dat belastingplichtige in principe vrij is in de keuze van een verrekenprijsmethode, mits de gekozen methode leidt tot een arm's- length uitkomst voor de specifieke transactie. Voor bepaalde situaties zal de ene methode echter tot betere uitkomsten leiden dan een andere. Hoewel van belastingplichtige kan worden verwacht dat hij bij zijn keuze van een verrekenprijsmethode rekening houdt met de betrouwbaarheid van de methode voor de betreffende situatie, is het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat belastingplichtige alle methoden beoordeelt en vervolgens onderbouwt waarom de door hem gekozen methode onder de gegeven omstandigheden tot de beste uitkomst leidt (best method rule). In sommige situaties kan ook een combinatie van methoden worden gebruikt. Belastingplichtige is echter niet verplicht om meerdere methoden te hanteren. Wel zal de belastingplichtige zijn keuze aannemelijk moeten maken.’
Ten aanzien van financiële dienstverlening zegt het Verrekenprijsbesluit het volgende:
‘Financiële dienstverlening kent een enorme diversiteit aan verschijningsvormen. Ook bij financiële dienstverlening dient op basis van uitgeoefende functies, na vergelijking met derdentransacties, van geval tot geval een arm's-lengthbeloning te worden vastgesteld. Als de functies van een financieel dienstverleningslichaam met name bestaan uit het verstrekken van kredieten, dan zijn de door dit lichaam uitgeoefende functies in beginsel vergelijkbaar met de uitgeoefende functies door onafhankelijke, onder toezicht van De Nederlandsche Bank staande, financiële instellingen. Toepassing van het arm's-lengthbeginsel brengt met zich mee dat de bepaling van een arm's-lengthvergoeding voor de uitgeoefende functies dient te worden gebaseerd op de vergoedingen die deze instellingen voor vergelijkbare dienstverlening in rekening brengen. (...)
Onafhankelijke financiële dienstverleners bepalen de beloning voor het verstrekken van kredieten door de fundingkosten van de transactie te verhogen met opslagen voor het solvabiliteitsbeslag, het kredietrisico, de handlingkosten en een eventueel valutarisico. De vaststelling van de kredietrisico dient te geschieden aan de hand van de contractuele voorwaarden en de hiervoor beschreven risicoanalyse. De contractuele voorwaarden zijn tevens van belang voor de vaststelling van het valutarisico. De beloning wordt door onafhankelijke financiële dienstverleners te allen tijde gerelateerd aan de hoogte van de ingeleende gelden of (de marktwaarde van) het beheerde vermogen.’
Op basis van het APA-besluit dient onder andere de volgende informatie te worden verstrekt: ‘6. Het APA-verzoek
Afhankelijk van de feiten en omstandigheden zal door belastingplichtige de volgende informatie verstrekt dienen te worden aan de Belastingdienst.
(...)
d. informatie met betrekking tot de wereldwijde organisatiestructuur (waaronder informatie over de uiteindelijke gerechtigden tot het vermogen van verzoeker), de geschiedenis, financiële gegevens, de producten en de uitgeoefende functies inclusief de bij de uitoefening van deze functies gebruikte activa (materieel en immaterieel) en gelopen risico's van en door de betrokken gelieerde ondernemingen;
e. een beschrijving van de voorgestelde verrekenprijsmethode, inclusief vergelijkbaarheidsanalyse (waaronder vergelijkbare cijfers van onafhankelijke marktpartijen en eventueel aangebrachte correcties)’
Alhoewel de keuze voor een bepaalde verrekenprijsmethode vrij is, dient bij de keuze voor een bepaalde methode rekening gehouden te worden met de betrouwbaarheid van de methode in de onderhavige situatie. Daarenboven dient de toepassing van de methode te leiden tot een arm’s-lengthuitkomst. De beloning wordt door onafhankelijke financiële dienstverleners te allen tijde gerelateerd aan het beheerde vermogen of de ingeleende gelden. Een APA-verzoek dient gestaafd te worden met vergelijkbare cijfers van onafhankelijke marktpartijen. Het kostenniveau zal over het algemeen geen betrouwbare winstindicator zijn voor financiële dienstverlening (bijvoorbeeld bij keuze voor de Transactional net margin methode, TNMM) en zal de cost- plusmethode in zijn algemeenheid geen methode zijn die tot een betrouwbare uitkomst leidt.
27. Welke methode van onderbouwing van de beloning kan worden geaccepteerd?
Antwoord:
De keuze voor een bepaalde verrekenprijsmethode staat vrij mits deze in overeenstemming is met art. 8b Wet Vpb 1969, het Verrekenprijsbesluit (Besluit van 14 november, nr. IFZ 2013/184M), het besluit nr. DGB 2014/3098 alsmede de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations die in 1995 door de OESO zijn gepubliceerd en in 2010 zijn gewijzigd (OESO- richtlijnen). Een voorbeeld van een onderbouwing die in overeenstemming is met deze uitgangspunten wordt hierna beschreven. Het staat belastingplichtige vrij een andere methode van onderbouwing te kiezen, zolang deze voldoet aan voornoemde uitgangspunten.
De vergoeding voor een financieel dienstverleningslichaam wordt gesplitst in twee componenten: i) een vergoeding voor het risico dat wordt gelopen met het ter beschikking gestelde eigen vermogen dan wel een vergoeding voor het ‘at risk’ gestelde eigen vermogen en ii) een vergoeding voor de activiteiten rondom het in- en doorlenen van gelden (handling fee). Beide vergoedingen worden gerealiseerd door een rentemarge, namelijk het verschil tussen de rente op de lening u/g en de rente op de lening o/g. Uit deze vergoeding dienen de kosten te worden gedekt. Soms worden de uitvoerende activiteiten uitbesteed aan derden of aan een gelieerde vennootschap; deze kosten moeten ook worden kunnen gedekt uit de vergoeding, waarna nog een redelijke vergoeding dient te resteren.
Indien het eigen vermogen daadwerkelijk wordt gebruikt voor het verstrekken van de lening, bestaat de opbrengst van het dienstverleningslichaam uit het saldo van de ontvangen rente op de lening u/g en de betaalde rente op de lening o/g. Indien het eigen vermogen slechts ‘at risk’ gesteld is bestaat de opbrengst van het DVL naast het saldo van de ontvangen rente op de lening u/g en de betaalde rente op de lening o/g uit het rendement op de uit het betreffende vermogen geïnvesteerde activa (bijvoorbeeld bancaire interest of dividend).
Er zijn verschillende situaties te onderkennen: i) het dienstverleningslichaam trekt gelden aan uit de markt en leent deze door aan een gelieerd lichaam waarbij een met dit dienstverleningslichaam gelieerd lichaam zich garant stelt naar de markt en ii) het dienstverleningslichaam leent gelden van een gelieerd lichaam en leent deze door aan één of meer andere gelieerde lichamen.
In situatie i) wordt de rente op de lening o/g betaald aan derden; de hoogte van deze rente is per definitie at arm’s-length. De rente wordt in beginsel bepaald door de rating van het gehele concern (of de groep waartoe het lichaam behoort) en niet door de rating van het dienstverleningslichaam afzonderlijk bezien. Deze rente dient verhoogd te worden met een rentemarge die bestaat uit een risicovergoeding en een handling-fee.
- Regeling
- Vragen en antwoorden met betrekking tot besluit Dienstverleningslichamen en zekerheid vooraf (DGB 2014/3101), besluit Behandeling verzoeken zekerheid vooraf in vorm van Advance Tax Ruling (ATR) (DGB 2014/3099)
- Soort
- Beleidsregel
- Geldend vanaf
- 02-07-2022
- BWB-id
- BWBR0035187
- Versie
- 2022-07-02_0