wetzoeker

Artikel B20 — Subsidiabele kosten Subsidieregeling ESF 2014–2020

Subsidiabele kosten

1. In afwijking van artikel 12 komen voor subsidiëring uitsluitend in aanmerking:

a. directe loonkosten gerelateerd aan de uitvoering van de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel B18, en directe loonkosten met betrekking tot de voorbereiding, coördinatie en administratie van het project voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend uurtarief op basis van het brutoloon, vermeerderd met een opslag van 32% van het brutoloon en waarbij het aantal werkbare uren per jaar is gesteld op 1.720 bij een voltijds dienstverband;

b. een toeslag van 15% op de kosten, bedoeld in onderdeel a;

c. externe kosten en externe kosten voor voorbereiding, projectcoördinatie en -administratie;

d. kosten van de door de externe adviseur investeringsprioriteit B werkelijk gerealiseerde uren aantoonbaar verricht voor ten minste een van de activiteiten als bedoeld in artikel B18.

2. Bij een project voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, onderdeel a, komen de directe loonkosten met betrekking tot de voorbereiding niet voor subsidiëring in aanmerking en wordt de verleende subsidie niet verhoogd.

3. In afwijking van het eerste lid zijn kosten gemaakt door verbonden organisaties, samenwerkingspartners in het samenwerkingsverband of organisaties die worden vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieaanvrager of in het bestuur van een samenwerkingspartner, slechts subsidiabel op basis van directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de toeslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

4. Onder een verbonden organisatie als bedoeld in het derde lid wordt verstaan een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie:

a. waarop de subsidieontvanger, dan wel een bij het project betrokken partij, direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen;

b. die direct of indirect een overheersende invloed op de subsidieontvanger, dan wel op een bij het project betrokken partij, kan uitoefenen; of

c. die, tezamen met de subsidieontvanger, dan wel met een bij het project betrokken partij, direct of indirect onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere organisatie uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.

5. Overheersende invloed als bedoeld in het vierde lid wordt vermoed, indien een organisatie direct of indirect, ten opzichte van een andere organisatie:

a. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de organisatie bezit;

b. over de meerderheid van de stemmen beschikt die aan de door de organisatie uitgegeven aandelen zijn verbonden; of

c. meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de organisatie kan benoemen.

6. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, zijn door of op verzoek van de subsidieontvanger daadwerkelijk gemaakt en betaald, ten laste van het project gebleven en rechtstreeks aan de voorbereiding, bij projecten voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, onderdeel b, of de uitvoering dan wel het beheer van het project toe te rekenen.

7. Onverminderd de subsidievormen, genoemd in het eerste lid, komen de volgende kostensoorten tevens voor subsidiëring in aanmerking:

a. standaardschalen van eenheidskosten;

b. lump sums;

c. forfaitaire financiering, bepaald door een percentage toe te passen op een of meer gedefinieerde categorieën kosten.

8. De minister stelt ambtshalve vast welke subsidievorm, bedoeld in het eerste of zevende lid, wordt toegepast, alsmede in hoeverre een eventuele combinatie van deze subsidievormen mogelijk is.

Regeling
Subsidieregeling ESF 2014–2020
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
16-09-2025
BWB-id
BWBR0035033
Versie
2025-09-16_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl