wetzoeker

Regeling verlof en STP jeugdigen

Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 april 2014, houdende regels aangaande het verlaten van de justitiële jeugdinrichting bij wijze van verlof of scholings- en trainingsprogramma (Regeling verlof en STP jeugdigen)

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-04-2014
Rechtsgebied
Jeugdstrafrecht, Penitentiair recht, Strafrecht
Ministerie
Veiligheid en Justitie
BWB-id
BWBR0035001
Versie
2014-04-01_0
SHA-256 bron
aeb3acc393e4eb6729901f911644ab5eedecf841dec7cea835ac29c808a80e4f

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (22)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22

Hoofdstuk 1 — Algemene en begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. reglement: het Reglement justitiële jeugdinrichtingen;

b. pij-maatregel: de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen als bedoeld in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht;

c. verlofstatus: een vorm van planmatig verlof als bedoeld in artikel 33, derde lid, van het reglement;

d. risicomanagementplan: een plan van de inrichting waarin staat beschreven een inschatting van de risico’s en hoe de risico’s met betrekking tot het verlof of scholings- en trainingsprogramma tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht.

e. multidisciplinair overleg: overleg ter advisering omtrent de behandeling van de aanvragen bedoeld in bedoeld in de artikelen 3, 4 en 16, bestaande uit tenminste een vertegenwoordiger van de inrichting waar de jeugdige verblijft, één vertegenwoordiger van een andere jeugdinrichting, een vertegenwoordiger van de afdeling Individuele Jeugdzaken van de Dienst justitiële inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en een onafhankelijke psychiater, die niet werkzaam is in de inrichting waar de jeugdige verblijft.

f. scholings- en trainingsprogrammaplan: een schriftelijke omschrijving van het scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het reglement.

Hoofdstuk 1 — Algemene en begripsbepalingen

Artikel 2

Verlofaanvragen en aanvragen voor de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma worden door de directeur van de inrichting schriftelijk ingediend bij de minister.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 3

De aanvraag voor incidenteel verlof bevat in ieder geval:

a. een omschrijving van het doel dan wel de gebeurtenis waarvoor het incidenteel verlof wordt aangevraagd;

b. de duur van het incidenteel verlof;

c. de mate van begeleiding;

d. het risicomanagementplan;

e. een blijk van instemming bedoeld in artikel 34, tweede lid, van het reglement;

f. het advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, in het geval van artikel 34, vierde lid van het reglement.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 4

De aanvraag voor planmatig verlof bevat in ieder geval het perspectiefplan met

a. het verlofplan;

b. het risicomanagementplan;

c. de afspraken over het verlof, die tussen de inrichting en de jeugdige zijn gemaakt;

d. het advies van het openbaar ministerie in het geval een executie-indicator is geplaatst;

e. indien van toepassing de evaluatie van eerder verlof;

f. indien van toepassing meldingen van bijzondere voorvallen, als bedoeld in de Regeling melding bijzondere voorvallen jeugdigen.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 5

1 In de aanvraag voor het begeleid verlof wordt aangegeven welke personeelsleden of medewerker(s) de jeugdige begeleiden.

2 Het verlofplan vermeldt de verlofdoelen, de frequentie en de duur van het begeleid verlof.

3 Het begeleid verlof duurt maximaal een dag zonder overnachting.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 6

1 Eendaags onbegeleid verlof kan worden aangevraagd indien de jeugdige minimaal vijf keer met begeleid verlof is geweest, tenzij;

a. sprake is van een strafrestant van maximaal vijf maanden of;

b. de behandeling van de jeugdige het toelaat en het verlof verantwoord is in het kader van het risicomanagementplan.

2 Artikel 5, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 7

1 Bij meerdaags onbegeleid verlof verblijft de jeugdige één of meerdere dagen met overnachting buiten de inrichting. Artikel 5, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2 Bij een eerste aanvraag voor een machtiging voor meerdaags onbegeleid verlof kan de directeur verzoeken om maximaal twee overnachtingen per twee weken.

3 Bij iedere volgende aanvraag voor een machtiging voor meerdaags onbegeleid verlof kan om een hogere frequentie van zowel het dagverlof als van de overnachtingen worden verzocht.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 8

1 Voor iedere nieuwe verlofstatus, de verlenging ervan of bij een structurele wijziging van het verlofplan vraagt de directeur een nieuwe machtiging aan.

2 In afwijking van het eerste lid kan de directeur één machtiging planmatig verlof aanvragen voor een jeugdige met een strafrestant van maximaal vijf maanden.

3 Elk planmatig verlof wordt afgesloten met een evaluatie. De evaluatie wordt besproken met de jeugdige.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 9

1 Wanneer bij planmatig verlof de toepassing van elektronisch toezicht wordt overwogen, vraagt de directeur daarover advies van de reclassering of de jeugdreclassering.

2 De directeur vermeldt in het verlofplan het doel, de invulling van het toezicht door de reclassering of de jeugdreclassering en de duur van het elektronisch toezicht.

3 In de machtiging planmatig verlof wordt het doel, de invulling van het toezicht door de reclassering of de jeugdreclassering en de duur van het elektronisch toezicht vastgelegd.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 10

1 De minister beslist onverwijld op aanvragen voor incidenteel verlof. Indien spoed vereist is, stelt de directeur van de inrichting de minister hiervan van tevoren op de hoogte.

2 Op een aanvraag voor planmatig verlof beslist de minister in beginsel binnen vier weken.

3 Een aanvraag kan voor advies worden voorgelegd aan het multidisciplinair overleg. In dat geval beslist de minister binnen een redelijke termijn.

4 De minister neemt bij de beslissing een machtiging af te geven het advies van het multidisciplinair overleg in aanmerking.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 11

1 De geldigheid van een machtiging incidenteel verlof is gelijk aan het doel dan wel de gebeurtenis bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van het reglement.

2 Een machtiging voor planmatig verlof is maximaal zes maanden geldig.

3 De directeur dient ten minste een maand voor afloop van een machtiging planmatig verlof een nieuwe aanvraag in voor verlenging van de machtiging dan wel voor een opvolgende verlofstatus. De aanvraag bevat een evaluatie van het voorgaande planmatig verlof.

4 Bij een overplaatsing naar een andere inrichting blijft de machtiging zes weken geldig. De directeur van de ontvangende inrichting kan beslissen het verlofplan over te nemen dan wel aan te passen. In beide gevallen vraagt de directeur binnen twee weken een nieuwe machtiging aan.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 12

1 De minister kan voor de duur van maximaal vier weken een machtiging planmatig verlof afgeven, indien een nieuwe machtiging niet aansluitend aan de bestaande machtiging kan worden afgegeven, in afwachting van een advies van het multidisciplinair overleg bedoeld in artikel 10, derde lid.

2 Deze machtiging wordt overeenkomstig de bestaande machtiging afgegeven.

3 De minister kan bij het verlenen van de in het vorige lid bedoelde machtiging aanvullende voorwaarden stellen.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 13

1 Een verlofmachtiging eindigt indien:

a. de termijn waarvoor de machtiging is afgegeven, is verstreken of

b. een nieuwe machtiging wordt verleend of

c. de jeugddetentie of pij-maatregel eindigt.

2 De minister kan een verlofmachtiging intrekken indien:

a. de jeugdige zich schuldig maakt aan of verdacht wordt van het plegen van een strafbaar feit;

b. dit noodzakelijk is met het oog op de veiligheid van de jeugdige of voor de veiligheid van anderen;

c. dit noodzakelijk is voor de algemene veiligheid van personen of goederen;

d. de jeugdige een voorwaarde niet nakomt;

e. de jeugdige geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland;

f. als het doel van het verlof is bereikt waarvoor de machtiging is verleend.

Hoofdstuk 2 — Incidenteel en planmatig verlof

Artikel 14

Indien een verlofmachtiging is afgegeven en de directeur gebruikt maakt van zijn bevoegdheden op grond van de artikelen 36 of 39 van het reglement, wordt de duur van de machtiging door het tijdelijk niet toestaan van het verlof, niet opgeschort. De directeur maakt melding van het tijdelijk niet toestaan van het verlof in de verlofevaluatie.

Hoofdstuk 3 — Scholings- en trainingsprogramma

Artikel 15

Deelname aan een scholings- en trainingsprogramma vindt plaats in aansluiting op planmatig verlof.

Hoofdstuk 3 — Scholings- en trainingsprogramma

Artikel 16

1 De aanvraag voor een scholings- en trainingsprogramma bevat:

a. een omschrijving van het gewenste scholings- en trainingsprogramma;

b. indien de begeleiding door de reclassering plaatsvindt, het reclasseringsadvies of indien de begeleiding door de jeugdreclassering plaatsvindt, een intentieverklaring dat deze de begeleiding uitvoert;

c. het advies van het openbaar ministerie in het geval een executie-indicator is geplaatst;

d. indien de jeugdige minderjarig is, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming;

e. het scholings- en trainingsprogrammaplan;

f. het risicomanagementplan;

g. de afspraken over het scholings- en trainingsprogramma, die tussen de inrichting en de jeugdige zijn gemaakt;

h. een evaluatie van het voorafgaande verloftraject.

2 Artikel 10, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3 — Scholings- en trainingsprogramma

Artikel 17

1 Wanneer bij een scholings- en trainingsprogramma elektronisch toezicht wordt overwogen, vraagt de directeur het advies van de reclassering of jeugdreclassering.

2 De directeur vermeldt in het scholings- en trainingsprogrammaplan het doel, de invulling van het toezicht door de reclassering of jeugdreclassering en de duur van het elektronisch toezicht.

3 In de machtiging scholings- en trainingsprogramma wordt het doel, de invulling van het toezicht door de reclassering of jeugdreclassering en de duur van het elektronisch toezicht vastgelegd.

Hoofdstuk 3 — Scholings- en trainingsprogramma

Artikel 18

1 Een tijdelijke terugplaatsing bedoeld in artikel 12, derde lid, onderdeel c, van het reglement duurt maximaal twee weken. Indien een terugplaatsing van langere duur nodig is, overlegt de directeur met de minister of de terugplaatsing eenmalig met twee weken kan worden verlengd.

2 De directeur informeert de ouders, voogd, stiefouders of pleegouders over de tijdelijke terugplaatsing.

3 De directeur kan in overleg met de minister tijdens de tijdelijke terugplaatsing aan de jeugdige toestaan de inrichting tijdelijk te verlaten, indien dit noodzakelijk is voor de herstart van het scholings- en trainingsprogramma.

4 De directeur stelt de minister in kennis van een herstart van een scholings- en trainingsprogramma.

Hoofdstuk 3 — Scholings- en trainingsprogramma

Artikel 19

1 Een machtiging scholings- en trainingsprogramma geldt:

a. in het geval van een jeugddetentie maximaal drie maanden;

b. in het geval van een pij-maatregel in beginsel zes maanden.

2 In het geval de pij-maatregel tijdens een scholings- en trainingsprogramma wordt verlengd, kan de minister de machtiging verlengen tot aan het einde van de pij-maatregel.

3 Artikel 11, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20

Deze regeling is van toepassing op alle verlofaanvragen en aanvragen voor scholings- en trainingsprogramma’s die vier weken na de inwerkingtreding van deze regeling worden ingediend.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 21

Deze regeling treedt in werking op 1 april 2014.

Hoofdstuk 4 — Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 22

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verlof en STP jeugdigen.