wetzoeker

4.1.1.2 — Onderzoek aan materialen die niet of niet uitsluitend uit kunststof bestaan Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen

Onderzoek aan materialen die niet of niet uitsluitend uit kunststof bestaan

Voor het onderzoek van materialen die niet of niet uitsluitend uit kunststof bestaan, gelden dezelfde regels ten aanzien van het aantonen van overeenstemming als voor kunststofmaterialen. De regels zijn opgenomen in de Verordening (EU) nr. 10/2011 tenzij anders vermeld in het hoofdstuk van het betreffende materiaal.

1 Keuze van levensmiddelsimulanten

Voor het uitvoeren van migratieproeven in levensmiddelsimulanten zijn de regels opgenomen in Verordening (EU) nr. 10/2011, bijlage III van toepassing.

2 In afwijking van de specificaties van simulant D2, plantaardige olie, in Verordening (EU) nr. 10/2011, bijlage III, mogen alle eetbare oliën en vetten worden gebruikt voor het bepalen van de globale en specifieke migratie in vetsimulant. Echter de vetsimulant dient vrij te zijn van storende componenten bij de bepaling van de migratie van een specifieke component.

Voor het bepalen van de globale migratie dient het gehalte aan onverzeepbare bestanddelen in de simulant zo laag mogelijk te zijn, maar mag een waarde van 1% niet worden overschreden. Dit is veelal alleen bereikbaar na raffinage van de oliën en vetten.

3 Selectie van testcondities voor het bepalen van de migratie in simulanten

Voor het uitvoeren van migratieproeven in levensmiddelsimulanten zijn de regels opgenomen in Verordening (EU) nr. 10/2011, bijlage V van toepassing.

Bovendien gelden de volgende afwijkingen en toevoegingen ten aanzien van Verordening (EU) nr. 10/2011:

1. Als migratieproeven met de vette-levensmiddelsimulant (hierna te noemen ‘vetsimulant’ of ‘Simulant D2’) om chemische of fysische redenen, die verband houden met de reactiviteit van een stof, de eigenschappen van het materiaal of de analysemethode, niet uitvoerbaar zijn, worden vervangende proeven uitgevoerd waarbij de in paragraaf 4.2 genoemde proefmedia worden gebruikt en de daarbij in tabel 4.2 aangegeven standaard proefomstandigheden worden aangehouden.

2. Indien een simulant, zoals voorgeschreven in Verordening (EU) nr. 10/2011, fysische of chemische verandering in of aan het materiaal veroorzaakt, die niet worden veroorzaakt tijdens contact met het relevante levensmiddel, mag de simulant worden aangepast. De simulant mag worden aangepast ter voorkoming van chemische of fysische veranderingen maar het dient aannemelijk te worden gemaakt dat de migratie in de aangepaste simulant tenminste gelijk is aan of hoger dan de migratie in het levensmiddel

28 Bijvoorbeeld, het gebruik van 3% azijnzuur in contact met rubber of met gelakt blik kan leiden tot extreme migratiewaarden die veroorzaakt worden door het soort zuur terwijl migratie in zure levensmiddelen beperkt is.

.

3. Indien een testconditie (contact tijd en temperatuur), zoals voorgeschreven in Verordening (EU) nr. 10/2011, fysische of chemische verandering in of aan het materiaal veroorzaakt, die niet worden veroorzaakt tijdens contact met het relevante levensmiddel, mag de testconditie worden aangepast. De testconditie mag worden aangepast ter voorkoming van chemische of fysische veranderingen maar het dient aannemelijk te worden gemaakt dat de migratie onder de aangepaste testconditie tenminste gelijk is aan of hoger dan de migratie in het levensmiddel

29 Bijvoorbeeld, het gebruik van versnelde testen bij 60 °C met 3% azijnzuur in contact met gelakt blik kan leiden tot extreme migratiewaarden die veroorzaakt worden door de combinatie van het zuur en de hoge temperatuur.

.

4. Na afloop van de voorgeschreven tijdsduur wordt door analyse van het levensmiddel of van de simulant de totale migratie of de specifieke migratie van stoffen bepaald.

5. Evenals voor kunststofmaterialen mag een correctiefactor voor de vetconsumptie (FRF) of voor migratie in simulant D2 (DRF) niet worden toegepast voor stoffen in de tabellen van bijlage deel A, waarbij SML = NA is vermeld en voor stoffen die niet in de tabellen van bijlage deel A zijn opgenomen en waarvan de migratie niet aantoonbaar mag zijn.

6. Indien de migratie is bepaald in mg/dm2 dient het resultaat, alvorens te worden getoetst aan de betreffende migratielimiet, te worden herleid tot een hoeveelheid in mg/kg levensmiddel of simulant. Voor materiaal op basis van kunststof volgens hoofdstuk I is daarvoor de vermenigvuldigingsfactor 6 van toepassing, voor materiaal op basis van een in een ander hoofdstuk geregeld materiaal een aan tabel 4.1 te ontlenen factor, tenzij anders is bepaald.

Tabel 4-1 Vermenigvuldigingsfactoren voor de herleiding van mg/dm2 tot mg/kg levensmiddel of simulant

categorie | omschrijving | factor

A | voor een materiaal dat het levensmiddel geheel of voor een groot deel omhult of daartoe bestemd is. | 6

B | voor een materiaal waarvan een relatief klein oppervlak in contact is of zal komen met levensmiddelen, resp. waarbij de contacttijd bij normaal gebruik zeer kort is. Voorbeeld: artikelen, die volgens het categoriseringssysteem beschreven in hoofdstuk III Rubberproducten van bijlage deel A kunnen worden gerangschikt onder Categorie III | 0,5

C | voor vaten, inclusief tanks, met een inhoud ≥ 25 L en ≤ 10.000 L | 2

D | bewaar- of transporttanks met een inhoud ≥ 10.000 L | 0,3

E | voor een materiaal niet vallend onder a t/m d | 3

F | voor leidingen en slangen, normaal gebruikt voor het doorstromend transport van vloeistoffen. | 0,1

Regeling
Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
29-05-2026
BWB-id
BWBR0034991
Versie
2026-05-29_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl