wetzoeker

Achtergrond Aanwijzing voor de opsporing

Opsporingsinstanties en OM worden geconfronteerd met een veelheid aan strafbare feiten. Tegelijkertijd is de beschikbare opsporingscapaciteit beperkt en dwingt tot het maken van keuzes. Dat betekent dat steeds afgewogen moet worden of in een zaak tot opsporing wordt overgegaan, en zo ja, met welke inzet (in tijd en in capaciteit). Gegeven de beperkte opsporingscapaciteit zal er altijd sprake zijn van selectieve opsporing. Aan deze selectiviteit wordt invulling gegeven door beleidsmatige en juridische criteria, vastgelegd in verscheidene documenten

1 Visiedocumenten, jaarplannen, beleidsregels, handhavingsarrangementen, projectplannen etc.

en strategische, tactische en operationele beslissingen in de toepasselijke beslisstructuren. Deze aanwijzing ziet op de opsporing en vervolging van misdrijven en beschrijft het afwegingskader waarbinnen de keuzes worden gemaakt. In de uitwerking is dit kader grotendeels gericht op de politie. De uitgangspunten en de kaders gelden niet alleen voor de politie, maar ook voor de inzet van opsporingscapaciteit en de gezamenlijke sturing daarop bij de andere (bijzondere) opsporingsdiensten en de KMar.

Regeling
Aanwijzing voor de opsporing
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-01-2014
BWB-id
BWBR0034586
Versie
2014-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl