wetzoeker

3.4 — Taalkeuze Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten

Taalkeuze

Voornoemde verdragsbepalingen vereisen dat de verdachte wordt gehoord en over de strafzaak op de hoogte wordt gebracht in een taal die hij begrijpt. Dit behoeft niet zijn moedertaal te zijn. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, wordt vastgesteld welke taal of talen hij wel beheerst en eventueel welke taal of welk dialect hij het liefst spreekt.

Indien bijvoorbeeld een Marokkaanse verdachte bij voorkeur in een bedoeïenendialect spreekt maar ook het Frans voldoende beheerst, wordt in beginsel in het Frans met hem gesproken. Het Frans wordt dan aangemerkt als ‘taaldomicilie’. Ook in een dergelijk geval wordt in principe een tolk ingeschakeld.

De taalkeuze wordt gemotiveerd in het proces-verbaal van het eerste verhoor opgenomen en geldt in beginsel voor het gehele opsporingsonderzoek.

Regeling
Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-01-2014
BWB-id
BWBR0034399
Versie
2014-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl