wetzoeker

Artikel 6 Wet lokaal spoor

Zorg voor de veiligheid op en nabij de lokale spoorwegen

1 Onverminderd artikel 5, eerste lid, wordt nieuwe ondergrondse lokale spoorweginfrastructuur zodanig aangelegd dat:

a. reizigers te allen tijde een spoorvoertuig kunnen verlaten en het dichtstbijzijnde station, een nooduitgang of een plaats die bereikbaar is vanaf de voor het openbaar verkeer openstaande weg, kunnen bereiken; en

b. hulpverleningsdiensten in staat zijn om tijdens calamiteiten hun

werkzaamheden naar behoren uit te voeren.

2 Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur laten in het geval dat overwogen wordt een tunnel aan te leggen die onderdeel uitmaakt van een lokale spoorweg en langer is dan 250 meter een risicoanalyse uitvoeren ten aanzien van het ontwerp van de tunnel.

3 De aanleg van een tunnel als bedoeld in het tweede lid vindt uitsluitend plaats indien uit de risicoanalyse blijkt dat het risico lager is dan de bij ministeriële regeling vastgelegde risiconorm.

4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de methode voor het uitvoeren van een risicoanalyse en de aspecten die in ieder geval bij de risicoanalyse worden betrokken.

Regeling
Wet lokaal spoor
Soort
Wet
Geldend vanaf
01-01-2024
BWB-id
BWBR0034363
Versie
2024-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl