wetzoeker

Artikel 5 Besluit vergoedingen Kernenergiewet

1 Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:

a. € 251.760 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 324.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;

b. € 251.760 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 324.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;

c. € 125.880 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 162.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.

2 Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:

a. € 1.258.800 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 1.620.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;

b. € 755.280 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 972.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;

c. € 377.640 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 486.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.

Regeling
Besluit vergoedingen Kernenergiewet
Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-01-2026
BWB-id
BWBR0034271
Versie
2026-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl