§ 7 — Tweede consultatie (deel 1) Besluit uitgifte drie vergunningen voor analoge commerciële radio-omroep (voor de kavels A7, B38 en C08) en drie vergunningen voor digitale radio-omroep
Tweede consultatie
Zoals is toegelicht in paragraaf 6 is dit besluit voorbereid overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, overeenkomstig artikel 3.10, derde lid, Tw. Van 25 februari tot en met 8 april 2013 kon eenieder zijn zienswijze geven op een ontwerp van dit besluit. Een aantal respondenten heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Op deze zienswijzen wordt hieronder ingegaan.
Een respondent kan zich verenigen met het ontwerpbesluit. Die zienswijze wordt onderstaand niet besproken, omdat het beleid wordt onderschreven. Twee andere respondenten hebben een (bedrijfs)vertrouwelijke zienswijze gegeven, zodat die ook niet wordt besproken. Uiteraard zijn die zienswijzen wel meegewogen bij de vraag of een aanpassing van het ontwerpbesluit gewenst is.
Verder zijn overeenkomstig artikel 3.10, derde lid, Tw de Eerste en Tweede Kamer in kennis gesteld van het ontwerpbesluit. De vaste commissie voor Economische Zaken van de Tweede Kamer heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt om vragen te stellen. De vragen hadden onder meer betrekking op de voor- en nadelen van opknippen van kavel A7 en het potentiële financiële risico van uitgifte van kavel A7 voor de staat. Deze vragen zijn per brief d.d. 2 april j.l. beantwoord (Kamerstukken 2012/2013, 24 095, nrs. 340 en 341). In het antwoord is toegelicht dat het opknippen van kavel A7 en vervolgens verdelen van de delen van die kavel een aantal nadelen kent en feitelijk geen voordelen. Inzake het potentiële financiële risico voor de staat is uiteengezet wat de toezegging behelst om eventueel onder omstandigheden een neerwaartse correctie toe te passen op de eenmalige bedragen die de huidige landelijke commerciële FM-vergunninghouders verschuldigd zijn. De vaste commissie heeft in de beantwoording geen aanleiding gezien nog aanvullende vragen te stellen.
RadioCorp B.V.
RadioCorp B.V. (verder: RadioCorp) stelt allereerst dat de periode tussen het sluiten van de consultatietermijn en de beoogde datum van publicatie van de definitieve besluiten kort is en vraagt zich af of de ingebrachte zienswijze serieus worden bestudeerd. Er wordt naar de aard van de procedure serieus rekening gehouden met de ingebrachte zienswijzen. Bij het bepalen van het tijdpad voor de definitieve besluitvorming is een inschatting gemaakt van de tijd die nodig is voor het verwerken van ingebrachte zienswijzen. Daarbij speelt een rol dat vorig jaar reeds een consultatie van een eerder ontwerp van dit besluit heeft plaatsgevonden. De Minister heeft toen kennis kunnen nemen van de standpunten van de respondenten. De huidige consultatie vindt plaats omdat artikel 3.10, derde lid, Tw (nieuw) voorschrijft dat voor een bekendmakingsbesluit de openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd dient te worden. Omdat er reeds eerder op grond van het Frequentiebesluit een consultatie heeft plaatsgevonden is het mogelijk om binnen een relatief korte termijn het definitieve besluit vast te stellen. Overigens is uiteindelijk meer tijd genomen voor de bestudering van de zienswijzen dan oorspronkelijk voorzien.
RadioCorp geeft verder in haar zienswijze aan dat artikel 3.3, zevende lid (oud) Tw jo. art. 20a Tw inhoudt dat de Minister ten aanzien van reeds verstrekte vergunningen en dus ook vergunningen met dezelfde looptijd die nog niet zijn verleend voor dezelfde bestemming, zoals vergunning kavel A7, niet zomaar kan afwijken van eerder beleid, nu de oude regels mutatis mutandis op deze vergunningen van toepassing blijven, aangezien alle onder het oude regime voor dezelfde bestemming verleende vergunningen nog in stand zijn. Deze zienswijze wordt niet gedeeld. Het nieuwe hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet trad onmiddellijk in werking en er is geen overgangsrecht getroffen voor verdelingsprocedures die nog niet gestart waren op het tijdstip van inwerkingtreding. RadioCorp kan dus geen beroep doen op artikel 3.3 Tw (oud).
Het betoog van RadioCorp dat ingevolge artikel 20a, zevende lid, Tw de minister niet bevoegd is een ander verdeelinstrument dan een vergelijkende toets te kiezen, wordt niet gevolgd. In artikel 20.2a, zevende lid, Tw is – kort samengevat – geregeld dat op een bezwaar of beroep tegen een besluit dat is genomen voor inwerkingtreding van het nieuwe hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet het oude recht van toepassing blijft. RadioCorp heeft in verband met de vorige uitgifte van vergunning kavel A7 een hoger beroep lopen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Zij stelt dat dit beroep weinig effect heeft, indien niet ook de bevoegdheid van de Minister, om hangende het beroep een ander verdelingsinstrument te kiezen, op grond van het oude kader kan worden getoetst. Om die reden geldt volgens haar het oude regime voor de keuze van het verdelingsinstrument ten aanzien van vergunningen waarvoor een aanvraag is gedaan en die nog onderwerp zijn van een hoger beroepsprocedure. Met deze uitleg miskent RadioCorp dat de overgangsbepaling van artikel 20.2a, zevende lid, Tw slechts betrekking heeft op het bezwaar of het beroep. Dit impliceert voor de hoger beroepszaak dat hierin het oude recht van toepassing is.
Het overgangsrecht van artikel 20.2a stelt geen beperkingen aan de toepassing van verdeelprocedures na inwerkingtreding van het nieuwe hoofdstuk 3. Artikel 20.2a, vijfde en zesde lid, Tw bevat overgangsrecht voor lopende verdeelprocedures. Kort gezegd, is daarin bepaald dat het oude recht van toepassing is op aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van het nieuwe hoofdstuk 3 of die zijn ingediend in het kader van een verdeelprocedure waarvoor het bekendmakingsbesluit inwerking is getreden voor inwerkingtreding van het nieuwe hoofdstuk 3. Dit bekendmakingsbesluit dateert van na dat tijdstip en bijgevolg is het nieuwe hoofdstuk van de Telecommunicatiewet van toepassing. Dit onderdeel van de zienswijze van RadioCorp is derhalve geen reden voor aanpassing van het ontwerpbesluit.
Verder verwijst RadioCorp naar de memorie van toelichting bij het nieuwe hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet. Zij geeft aan dat daarin is aangegeven dat een vergelijkende toets naar verwachting met name gebruikt wordt bij commerciële radio-omroep. Zij verbindt daaraan de conclusie dat ook in dit geval een vergelijkende toets gehouden zou moeten worden. Ook die zienswijze wordt niet gedeeld. In de bedoelde passage van de memorie van toelichting staat dat een vergelijkende toets met name voor een verdeling voor commerciële omroep gebruikt kan worden omdat bij die verdelingen de beoogde vergunningvoorschriften (soms) niet vooraf kunnen worden bepaald. Hierbij wordt gedoeld op verdelingen van geclausuleerde vergunningen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De huidige ongeclausuleerde vergunningen bevatten ook geen voorschriften die volgen uit de eerder gehouden vergelijkende toets. De passage waaraan RadioCorp refereert werpt dus geen ander licht op deze zaak.
- Regeling
- Besluit uitgifte drie vergunningen voor analoge commerciële radio-omroep (voor de kavels A7, B38 en C08) en drie vergunningen voor digitale radio-omroep
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 24-04-2013
- BWB-id
- BWBR0033305
- Versie
- 2013-04-24_0