VIII — Een belangenafweging die ‘wbp-proof’ is CBP Richtsnoeren
Een belangenafweging die ‘wbp-proof’ is
De hierboven aangehaalde uitspraken laten zien hoe het spanningsveld tussen het recht op openbaarheid en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in de praktijk tot uiting komt. Hoewel het slechts om voorbeelden gaat en inherent aan een belangenafweging is dat de weging in elk geval weer anders kan uitpakken, kunnen de voorbeelden toch een handreiking bieden. Met een belangenafweging die in de lijn van de uitspraken ligt worden de normen die aan de Wbp ten grondslag liggen in acht genomen. Daarbij gaat het om de belangenafweging die moet worden gemaakt in de fase voorafgaand aan publicatie.
Op het bestuursorgaan rust dan ook de plicht om bij actieve openbaarmaking een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer te vermijden, dan wel zo beperkt mogelijk te houden. Dat wil zeggen dat het bestuursorgaan het openbaarmaken van persoonsgegevens in overheidsinformatie achterwege moet laten als het doel daarvan, namelijk openbaarheid van de informatie, ook langs andere weg en met minder ingrijpende middelen kan worden gerealiseerd.
Daarbij is van belang dat ook de wijze van actieve openbaarmaking een rol speelt bij de belangenafweging. Actieve openbaarmaking op internet kan verstrekkende gevolgen hebben. De vraag of internet dan ook het aangewezen middel is om actief openbaar te maken past in de noodzakelijkheidstoets van artikel 8 EVRM.
32 Zie de noot van G. Overkleeft-Verburg bij de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2006 in zaak no. 200505388/1, JB 2006, 18.
Ook wat dat betreft spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit dus een rol. De Wob bevat geen verplichting tot openbaarmaking via een voorgeschreven medium. Hoewel internet enorme mogelijkheden biedt om informatie sneller, klantvriendelijker, goedkoper, in grotere hoeveelheden, beter gesorteerd en 24 uur per dag te verstrekken
33 Artikel 8, tweede lid, van de Wob verplicht het bestuursorgaan in dat verband dat tot een begrijpelijke en toegankelijke wijze van actieve openbaarmaking.
, gaat het openbaarmaken op internet tegelijkertijd met grote risico’s gepaard. Vanwege die risico’s kan de keuze voor de publicatie op internet tot een onredelijke uitkomst van de belangenafweging leiden.
34 Zie de noot van G. Overkleeft-Verburg bij de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2004 in zaak no. 200304412/1, JB 2004, 34.
Als het bestuursorgaan toch tot het openbaarmaken van de persoonsgegevens op internet overgaat, dan is van belang dat het in redelijkheid alle bestaande mogelijkheden benut om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene te beperken, bijvoorbeeld door anonimisering van zijn persoonsgegevens. Dat betekent dat het bestuursorgaan de persoonsgegevens moet weglakken en daarmee onleesbaar moet maken. Bijvoorbeeld als het gaat om naam- en adresgegevens. De rechtspraak laat zien dat het belang van openbaarheid van die gegevens al snel niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Openbaarmaking van de gegevens kan er immers toe leiden dat bijvoorbeeld via internet andere persoonsgegevens worden gevonden, zodat de betrokkene geïdentificeerd kan worden. Daarmee wordt het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer verder aangetast.
Hier ligt een parallel met de Wbp. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wbp moeten op internet gepubliceerde gegevens namelijk ter zake dienend en niet bovenmatig zijn. Bij beantwoording van de vraag of het openbaarmaken van persoonsgegevens op internet noodzakelijk is, is van belang te beoordelen of het openbaarmaken van (een aantal van) die gegevens niet bovenmatig is aan het doeleinde. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een bsn-nummer, adresgegevens en de ‘natte’ handtekening. Het doel van actieve openbaarmaking, namelijk het belang van openbaarheid, kan in redelijkheid ook bereikt worden door die gegevens weg te lakken.
Een voorbeeld is het publiceren van brieven die burgers aan de gemeenteraad hebben gestuurd.
Vaak worden dat soort brieven onverkort op internet geplaatst. In het licht van het voorgaande leidt de belangenafweging er echter toe dat er geen noodzaak is om ook de naw-gegevens en ‘natte’ handtekening van de afzender van de brief op internet te plaatsen. Ditzelfde geldt voor het op internet plaatsen van bezwaarschriften, zodat de persoonsgegevens van bezwaarmakers openbaar worden gemaakt. Wat betreft de wijze van actief openbaarmaken voldoet het op internet integraal publiceren van ingescande documenten doorgaans niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het belang van openbaarheid vereist niet dat bekend wordt wie de brief heeft geschreven, waar die persoon woont en hoe zijn/haar handtekening eruit ziet.
Een oplossing bestaat er in dat het bestuursorgaan bijvoorbeeld bij het opstellen en ontwerpen van de betreffende documenten en formulieren rekening houdt met het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Bijvoorbeeld door de gegevens bij het inscannen al af te schermen of de documenten te anonimiseren. Ook kan ten aanzien van een aantal gegevens toestemming worden gevraagd voor het actief openbaarmaken.
Als anonimisering van gegevens onvoldoende bijdraagt aan bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, bijvoorbeeld omdat al bekend is op wie de gegevens betrekking hebben, kan het doorhalen van delen van documenten (voor het overige) wellicht wel in aanmerking komen. De openbaarmaking wordt dan beperkt tot gedeelten van de overheidsinformatie.
Het voorgaande laat zien dat het niet zo is dat overheidsinformatie waarin persoonsgegevens zijn opgenomen als zodanig niet actief openbaar kan worden gemaakt. Openbaarmaking van de in de informatie vervatte persoonsgegevens kan onder omstandigheden wel leiden tot schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en daarmee van de normen van artikel 8 van het EVRM en de Wbp. Ook is het goed mogelijk dat sprake is van gegevens die de persoonlijke levenssfeer niet in zodanige mate raken dat het belang van eerbiediging daarvan zonder meer moet prevaleren boven het belang van openbaarheid. De genoemde voorbeelden laten ook dat zien.
Zoals gezegd leidt de belangenafweging alleen tot beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan overheidsinformatie actief kan openbaarmaken. In het bevestigende geval – de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer staat aan openbaarmaking niet in de weg – gelden de regels en het kader van de Richtsnoeren I onverkort. Dat betekent kort gezegd dat het bestuursorgaan dat voornemens is overheidsinformatie, voor zover daarin persoonsgegevens zijn opgenomen, op internet te publiceren, de betrokkenen zorgvuldig moet informeren over het doel van de publicatie op internet, de risico’s daarvan en de wijze waarop de risico’s door hem beperkt worden. De informatieplicht van de Wbp geldt namelijk gewoon. Datzelfde geldt voor de eisen die aan de kwaliteit en beveiliging van de publicatie op internet op grond van de Wbp worden gesteld. Ook na publicatie op internet moet het bestuursorgaan zich inspannen om aan de Wbp te blijven voldoen. Verder moet het bestuursorgaan een betrokkene in staat stellen om de rechten die de Wbp hem toekent daadwerkelijk te kunnen uitoefenen.
- Regeling
- CBP Richtsnoeren
- Soort
- ZBO-regeling
- Geldend vanaf
- 28-08-2009
- BWB-id
- BWBR0033173
- Versie
- 2009-08-28_0