VII — Invulling van de belangenafweging (deel 1) CBP Richtsnoeren
Invulling van de belangenafweging
De bij het recht op openbaarheid te beschermen belangen van burgers zijn gelegen in de controleerbaarheid van de overheid en de legitimiteit van het wetgevingsproces. Het belang dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beoogt te beschermen, is onder meer gelegen in het belang van een betrokkene om zelf te kunnen bepalen wat er met zijn persoonsgegevens gebeurt. Inmiddels biedt de rechtspraak meer duidelijkheid over de vraag hoe de belangenafweging tussen het recht op toegang tot overheidsinformatie en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer er in beginsel uit moet zien. Weliswaar ziet de jurisprudentie met name op gevallen van passieve openbaarmaking, maar, zoals reeds opgemerkt, heeft de Afdeling eerder overwogen dat bij artikel 8 van de Wob ook de belangen genoemd in artikel 10 moeten worden gewogen. De invulling die inmiddels aan de belangenafweging is gegeven, is dan ook van toepassing bij actieve openbaarmaking.
Voorop staat voorts dat beide rechten nevengeschikt aan elkaar zijn. Het uitgangspunt van de Wob – openbaarheid is regel – moet echter zeer zwaar wegen. In de gevallen waarin de integriteit van de overheid in het geding is, komt aan dit belang in het bijzonder een zeer groot gewicht toe.
20 Uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2006 in zaak no. 200505388/1, www.raadvanstate.nl.
Het is aan het bestuursorgaan om de belangenafweging te maken en aan de rechter om haar te toetsen, met inachtneming van het uitgangspunt van de Wob dat openbaarheid regel is, zo overwoog de Afdeling. De vraag of een ander belang dan dat van openbaarheid zich voordoet, wordt door de rechter integraal beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang zwaarder of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de (redelijkheids)toetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb.
21 Uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2006 in zaak no. 200503197/1, www.raadvanstate.nl.
Ook ziet het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer op alle in de overheidsinformatie genoemde personen. Ten aanzien van ieder van de betrokken personen zal moeten worden nagegaan of de documenten informatie bevatten die betrekking heeft op zijn of haar persoonlijke levenssfeer, en als dat zo is, of het belang van het verstrekken van die informatie opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Tot slot ontkomt het bestuursorgaan er niet aan om per document de vraag te beantwoorden of aan dat belang een zodanig gewicht toekomt, dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens achterwege moet blijven. Deze afweging kan dus niet slechts in haar algemeenheid, maar moet per concreet (onderdeel van een) document worden gemaakt.
Kort gezegd moet er een toetsing plaatsvinden die ertoe leidt dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht. De toetsing moet ertoe leiden dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan het noodzakelijkheidscriterium van artikel 8 van het EVRM.
22 Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 18 januari 2008, LJN: BB3210, www.rechtspraak.nl.
De rechtspraak laat zien dat bij de toetsing een aantal wegingsfactoren van belang kan zijn.
In de situatie waarin openbaarmaking, gelet op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, achterwege blijft, speelt allereerst de vraag of sprake is van strikt persoonlijke gegevens. Vervolgens rijst de vraag of van de openbaarmaking van die gegevens verdere persoonsgegevens herleidbaar zijn, zodat de betrokkene geïdentificeerd kan worden. Aan de hand van bijvoorbeeld alleen een naam kunnen op internet eenvoudig meer gegevens over een betrokkene worden gevonden. Als dat het geval is, weegt het belang van openbaarheid vaker niet op tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De volgende gevallen onderstrepen dat:
NAW-gegevens zittingslijsten huurcommissie:
In dit geval speelde de vraag of zittingslijsten van een huurcommissie openbaar konden worden gemaakt. De Afdeling concludeert dat verstrekking van de naw-gegevens een inbreuk zou maken op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Aan het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet dan ook een zwaarder gewicht worden toegekend dan aan het belang van openbaarmaking van de zittingslijsten.
De Afdeling overwoog dat:
‘Gelet op de aard van de gegevens die op een zittingslijst staan vermeld, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de belangen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wob, waarop de Huurcommissie zich heeft beroepen aan de orde zijn. Op deze lijsten staan onder andere de namen, adressen en woonplaatsen van de procederende partijen vermeld. Deze gegevens moeten als strikt persoonlijke gegevens worden aangemerkt.’
en:
‘Appellante heeft ter zitting van de Afdeling bepleit dat uitsluitend de adresgegevens openbaar worden gemaakt. Ook in dat geval evenwel zijn de belangen als bedoeld in genoemd artikel in geding, reeds omdat niet valt uit te sluiten dat aan de hand van die adresgegevens de verdere persoonsgegevens van een betrokkene herleidbaar zijn. Derhalve mocht ook ten aanzien van de adresgegevens aan die belangen een zwaarder gewicht worden toegekend dan aan het belang bij openbaarmaking ervan.’
23 Uitspraak van de Afdeling van 19 september 2007 in zaak no. 200608266/1, www.raadvanstate.nl. Zie ook zaak no. 200300077/1, www.raadvanstate.nl.
Kenteken voertuig
In een geval waarin om openbaarmaking van het kenteken van een voertuig werd gevraagd stelde de Afdeling weer de vraag centraal of de betrokken persoon met het verstrekken van dat gegeven kon worden geïdentificeerd.
De Afdeling overwoog dat:
‘[...] openbaarmaking van het kenteken van het voertuig het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan schaden nu de identiteit van de bestuurder van dat voertuig achterhaald zou kunnen worden indien het kenteken openbaar zou worden gemaakt.’
24 Uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2004 in zaak no. 200305162/1, www.raadvanstate.nl.
Om die reden prevaleert volgens de Afdeling het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Tenaamstelling rekening en verdere verstrekking van betalingsomschrijvingen:
Ook de vraag of bij het openbaarmaken van informatie over een betaling alle op een bankafschrift vermelde betalingen en de naam van de persoon om wiens rekening het gaat moeten worden verstrekt, beantwoordde de Afdeling ontkennend.
De Afdeling overwoog dat:
‘[...] de tenaamstelling van de gedebiteerde rekening en de omschrijving van de betaling, voor zover deze omschrijving niet ziet op de mededeling dat deze betaling ziet op naturalisatieleges, behoren tot de persoonlijke levenssfeer van degene wiens naturalisatieleges worden voldaan. De Afdeling is voorts van oordeel dat de Minister in redelijkheid kon komen tot het oordeel dat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van M. Zorreguieta zwaarder weegt dan het publieke belang en op grond hiervan verstrekking van de tenaamstelling van de gedebiteerde rekening, alsmede verdere verstrekking van de betalingsomschrijving dan hij ter zitting van de Afdeling heeft gedaan, achterwege kon laten.’
25 Uitspraak van de Afdeling van 1 november 2006 in zaak no. 200602948/1, www.raadvanstate.nl.
Ter verduidelijking kan worden opgemerkt dat de belangenafweging er zelden toe leidt dat de overheidsinformatie in het geheel niet openbaar wordt gemaakt. Slechts in een enkel geval is dat aan de orde geweest:
Anonieme briefschrijver:
In dit geval ging het om het achterwege laten van openbaarmaking van een met de hand geschreven anonieme tip. Een letterlijke weergave van de inhoud van de anonieme tip werd wel verstrekt.
Mede daarom overwoog de Afdeling dat:
- Regeling
- CBP Richtsnoeren
- Soort
- ZBO-regeling
- Geldend vanaf
- 28-08-2009
- BWB-id
- BWBR0033173
- Versie
- 2009-08-28_0