wetzoeker

5.1 — Beginselen voor de toepassing van artikel 6, derde lid, van de Mededingingswet op combinatieovereenkomsten Beleidsregels combinatieovereenkomsten 2013

Beginselen voor de toepassing van artikel 6, derde lid, van de Mededingingswet op combinatieovereenkomsten

49. Zoals opgemerkt onder randnummers 15-17 van deze beleidsregels, is de Mededingingswet georiënteerd op de Europese mededingingsregels. Zo is artikel 6, derde lid, van de wet, een afgeleide van artikel 101, derde lid, van het VWEU. Daarom wordt bij de toepassing van artikel 6, derde lid, van de wet aangesloten bij de Europese richtsnoeren voor toepassing van artikel 81, derde lid, van het EG-Verdrag.

35 Richtsnoeren 2004/C 101/08 en de Mededeling van de Directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit ‘Richtsnoeren betreffende de toepassing van artikel 6, lid 3, van de Mededingingswet’, Nr. P_ 500043/6.0158, van 22 februari 2005 (Stcrt. 2005, 47).

50. Artikel 6, derde lid, van de wet is alleen relevant wanneer een combinatieovereenkomst tussen ondernemingen de mededinging beperkt in de zin van artikel 6, eerste lid, van de wet. Zoals toegelicht, is dat het geval, indien een combinatieovereenkomst als strekking (randnummers 39–42) of als gevolg (randnummers 43–48) heeft de mededinging te beperken en de bagatelvrijstelling niet van toepassing is (randnummers 23–25).

51. De bewijslast op grond van artikel 6, derde lid, van de wet rust ingevolge het vierde lid van dat artikel op de onderneming(en) die zich op deze uitzonderingsregeling beroepen. Volgens vaste rechtspraak zijn de vier voorwaarden van artikel 6, derde lid, van de wet cumulatief. Zij moeten dus alle worden vervuld, wil de uitzonderingsregeling kunnen worden toegepast.

Regeling
Beleidsregels combinatieovereenkomsten 2013
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
06-04-2013
BWB-id
BWBR0033160
Versie
2013-04-06_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl