wetzoeker

(1) — Combinatieovereenkomsten die niet onder artikel 6, eerste lid, van de wet vallen Beleidsregels combinatieovereenkomsten 2013

Combinatieovereenkomsten die niet onder artikel 6, eerste lid, van de wet vallen

38. Uit onder andere de Richtsnoeren 2011/C 11/01 en de Richtsnoeren 2004/C 101/08 is af te leiden dat sommige vormen van horizontale samenwerking ‘door hun aard’ niet onder het in artikel 101, eerste lid, van het VWEU neergelegde kartelverbod vallen. Dit volgt ook uit de Europese jurisprudentie.

23 Zie bijvoorbeeld HvJ EG 9 juli 1969, zaak 5/69, Jur. 1969, blz. 295, r.o. 7; HvJ EG 6 mei 1971, zaak 1/71, Jur. 1971, blz. 351, r.o. 9.; HvJ EG 19 juli 1980, zaak 30/78, Jur. 1980, blz. 2229, r.o. 28.

Die richtsnoeren en jurisprudentie geven steun aan de opvatting, dat de onder (a) tot en met (e) genoemde combinatieovereenkomsten niet onder het Europese kartelverbod vallen. Het kartelverbod van artikel 6, eerste lid, van de wet is georiënteerd op het Europese kartelverbod en voor de uitleg van het Nederlandse kartelverbod zijn de richtsnoeren van de Europese Commissie en de Europese jurisprudentie mede richtinggevend. Daarom mag worden aangenomen dat de volgende combinatieovereenkomsten ook niet onder artikel 6, eerste lid, van de wet vallen:

(a) Combinatieovereenkomsten tussen ondernemingen die geen concurrenten van elkaar zijn. Een voorbeeld is het geval waarin de bij een combinatie betrokken ondernemingen volledig complementaire specialismen bundelen zoals het maken van het ontwerp voor een opdracht en het uitvoeren van dezelfde opdracht. Omdat deze ondernemingen ieder een ander specialisme uitoefenen, bestaat er tussen hen geen concurrentie. Een combinatieovereenkomst waarbij zij die specialismen bundelen, beperkt naar haar aard de mededinging niet.

(b) Combinatieovereenkomsten tussen ondernemingen die wel concurrenten van elkaar zijn, maar die de desbetreffende opdracht niet zelfstandig kunnen uitvoeren. Daarvan is sprake, indien geen van de betrokken ondernemingen afzonderlijk voldoet aan de geschiktheideisen en geen van de betrokken ondernemingen dus afzonderlijk in staat is de opdracht gegund te krijgen. Een zodanige combinatieovereenkomst strekt niet tot beperking van de mededinging.

24 Vgl. Richtsnoeren 2004/C 101/08, randnr. 18 (onder 1. aan het eind).

Indien echter één of meer partijen bij een combinatieovereenkomst wel in staat is de desbetreffende opdracht zelfstandig uit te voeren, kan de combinatieovereenkomst wel onder artikel 6, eerste lid, van de wet vallen.

(c) Combinatieovereenkomsten die de mededinging niet merkbaar beperken. Analoog aan artikel 101 VWEU, eerste lid, is artikel 6, eerste lid, van de wet van toepassing, indien sprake is van een ‘merkbare’ beperking van de mededinging. Volgens randnummer 7, onder a), van de de minimis-bekendmaking van de Europese Commissie

25 Bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten van geringe betekenis die de mededinging niet merkbaar beperken in de zin van artikel 81, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (de minimis), PbEG 2001/C 368/07.

beperken horizontale afspraken de mededinging niet merkbaar, indien de betrokken ondernemingen gezamenlijk niet meer dan 10% marktaandeel hebben. Dit is volgens randnummer 11 van de EG-de minimis-bekendmaking echter niet van toepassing op afspraken die prijsbinding, beperking van productie of verkoop of markt- of klantenverdeling inhouden.

(d) Combinatieovereenkomsten tussen ondernemingen die tot hetzelfde concern behoren (groepsmaatschappijen). Die ondernemingen moeten dan wel een economische eenheid vormen, waarin de dochteronderneming haar optreden op de markt niet werkelijk zelfstandig kan bepalen en de afspraken tussen de ondernemingen een interne taakverdeling tussen hen ten doel hebben.

26 HvJ EG, 31 oktober 1974, zaak 15/74, Jur., 1974, 1147, r.o.41. Van een 100% groepsmaatschappij wordt in beginsel aangenomen dat deze haar optreden op de markt niet zelfstandig kan bepalen. Zie bijvoorbeeld GvEA12 januari 1995, zaak T-102/92 Jur. 1995 blz. II-17 en in appel HvJEG 24 oktober 1996, zaak C-73/95P Jur. 1996 blz. I-05457); Richtsnoeren 2011/C 11/01, randnr. 11.

Regeling
Beleidsregels combinatieovereenkomsten 2013
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
06-04-2013
BWB-id
BWBR0033160
Versie
2013-04-06_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl