wetzoeker

4.1 — Algemeen uitgangspunt Aanwijzing opsporing en behandeling militaire zaken

Algemeen uitgangspunt

Artikel 1, tweede lid, Wms bepaalt dat – behoudens uitzonderingen – het commune strafprocesrecht van toepassing is op militaire zaken. Als uitvloeisel daarvan geldt dat het commune strafvorderingsbeleid wordt gevolgd. Van dat beleid kan worden afgeweken, indien specifieke militaire regelgeving of belangen dat noodzakelijk maken. Van specifieke militaire regelgeving kan worden gesproken indien:

• in het militair strafrecht een gedraging strafbaar is gesteld terwijl daar ook een commune pendant van bestaat, zoals bij joyriding (art. 166 MSr en art. 11 WVW 1994);

• in het militair strafrecht een strafverzwarende omstandigheid is genoemd ten aanzien van een commuun delict, zoals diefstal op een onder de militair bescherming gestelde plaats (art. 155 MSr).

Van een militair belang kan worden gesproken indien een strafbaar feit – commuun of militair – gepleegd wordt:

• in de tijd dat de militair dienst doet of behoorde te doen;

• op een militaire plaats (zoals een kazerne of een vaartuig der krijgsmacht);

• indien de militair in uniform gekleed gaat;

• waardoor de verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b van de Wet veiligheidsonderzoeken wordt geweigerd dan wel ingetrokken;

8 Deze gevallen zijn omschreven in de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken defensie en de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Koninklijke Marechaussee.

• waardoor anderszins het ambt of aanzien van militair geschaad wordt.

Concreet worden aldus de volgende uitgangspunten gehanteerd:

a. Voor zover door de militair strafbare feiten zijn gepleegd waardoor geen specifieke militaire regelgeving is geschonden en tevens geen militair belang is geraakt, zal de strafrechtelijke bejegening door opsporingsinstanties en het arrondissementsparket Oost-Nederland in beginsel niet verschillen van die welke een burger ten deel valt.

b. Voor zover door de militair strafbare feiten zijn gepleegd waardoor specifieke militaire regelgeving is geschonden en/of een militair belang is geraakt, kunnen de militaire omstandigheden zowel een strafverlichtende als een strafverzwarende rol spelen. In beginsel zal echter zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de strafrechtelijke bejegening van burgers, tenzij het:

1°. commune feiten betreft die onder het regime zijn te brengen van:

(a) artikel 79 Wmt;

(b) de artikelen 59 MSr en 59 Wms;

2°. wettelijk strafmaximum op commune delicten verhoogd wordt door toepassing van strafverzwarende omstandigheden genoemd in het MSr;

3°. door een militair gepleegde strafbare feit imagoschade aan de krijgsmacht toebrengt of toe kan brengen.

c. Het gebruik van moderne communicatiemiddelen maakt het mogelijk om een lik-op-stukbeleid te voeren t.a.v. door militairen gepleegde strafbare feiten (militaire en/of commune), waarbij uit het oogpunt van preventie snel en krachtdadig Justitieel optreden wenselijk is. Dit beleid wordt niet alleen veelvuldig toegepast bij strafbare feiten in Nederland, maar wordt tevens toegepast bij strafbare feiten die zijn gepleegd:

1°. tijdens uitzendingen;

2°. tijdens oefeningen in het buitenland, varen daaronder begrepen;

ook als deze buiten militaire plaats en tijd zijn gepleegd.

Dit lik-op-stuk beleid wordt inhoud gegeven door het ter plaatse door de KMar uitreiken van de OM-transactie c.q. strafbeschikking dan wel door het (bij niet-betaling van de transactie of rauwelijks) dagvaarden voor een zitting direct na terugkomst in Nederland, al dan niet in combinatie met een, na overleg met de officier van Justitie, door de commandant bevolen repatriëring.

9 Zie de Instructie protocol repatriëring verdachte militair.

Regeling
Aanwijzing opsporing en behandeling militaire zaken
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-04-2013
BWB-id
BWBR0033103
Versie
2013-04-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl