2.1 — Voorwaarden behoud diploma-erkenning Gewijzigde aanvraagprocedure diploma-erkenning
Voorwaarden behoud diploma-erkenning
Wanneer diploma-erkenning verleend wordt aan een beroepsopleiding, moet de betreffende opleiding binnen één jaar na dagtekening van die erkenning verzorgd worden. Indien blijkt dat dit niet het geval is zal de erkenning op grond van artikel 6.4.4 van de Web ambtshalve worden ingetrokken en zal de registratie in crebo worden beëindigd. De voorwaarde dat binnen één jaar de opleiding verzorgd moet worden, maakt dat in het crebo alleen actieve opleidingen opgenomen zijn. De Inspectie beoordeelt de kwaliteit van deze actieve opleidingen periodiek, waardoor geborgd is dat de beroepsopleidingen voldoende kwaliteit en continuïteit hebben. Voordat de opleiding ambtshalve wordt ingetrokken zal de instelling daarvan op de hoogte worden gesteld met de mogelijkheid aan te geven of er redenen zijn om niet tot ambtshalve doorhaling over te gaan.
Indien de opleiding binnen één jaar na dagtekening van de erkenning verzorgd wordt, moet het bevoegd gezag om de erkenning te behouden het volgende doen:
• er voor zorgen dat de kwaliteit van de opleiding van voldoende niveau is (zie toetsingskader Inspectie);
• voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste en zesde lid, van de Web, en
• aan de Inspectie binnen de door haar gestelde redelijke termijn alle medewerking verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van haar bevoegdheden.
Op 1 januari 2012 is de wet tot wijziging van onder meer de Leerplichtwet 1969 inzake toevoeging niet-bekostigd onderwijs aan de systematiek van het persoonsgebonden nummer en het basisregister onderwijs in werking getreden. Dit heeft tot gevolg dat het bevoegd gezag, met betrekking tot opleidingen waarvoor diploma-erkenning is verkregen, het persoonsgebonden nummer van iedere student aan die beroepsopleiding moeten verstrekken aan DUO/BRON, samen met de volgende gegevens:
• geslacht, geboortedatum en postcode van de woonplaats;
• de datum van inschrijving of van de wijziging of beëindiging daarvan;
• de code, bedoeld in artikel 6.4.1, tweede lid, onder a van de WEB, van het opleidingsdomein, het kwalificatiedossier of de kwalificatie waarvoor de deelnemer is ingeschreven en bij inschrijving;
• voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier het niveau van de beroepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, van de Web;
• de leerweg;
• het uitstroomniveau of het behaalde diploma en de datum waarop het diploma is behaald;
• de omvang van beroepspraktijkvorming, de datum van begin en einde daarvan, de afsluitdatum van de beroepspraktijkvormingsovereenkomst en het betrokken erkende leerbedrijf dat de beroepspraktijkvorming verzorgt;
• het registratienummer van de instelling;
• het volgen van de opleiding in voltijd of deeltijd, en
• indien van toepassing de reden van het uitstromen.
Wanneer een beroepsopleiding in voltijd wordt aangeboden moet de opleiding volgens artikel 7.2.7, derde lid, van de Web voldoen aan de zogenoemde 850-urennorm. Dit houdt in dat het bevoegd gezag voor de deelnemer in instellingstijd een onderwijsprogramma verzorgt dat ten minste 850 uren per studiejaar omvat.
Het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma, bedoeld in voornoemd derde lid, omvat alle onderwijsactiviteiten, gericht op het bereiken van de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waaraan door de deelnemer wordt deelgenomen onder verantwoordelijkheid en toezicht van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze voltijdse beroepsopleidingen aantoonbaar voldoen aan de eisen van artikel 7.2.7, derde lid, van de Web. (N.B. met het wetsvoorstel doelmatige leerwegen en modernisering bekostiging wordt de urennorm voor een voltijdse opleiding verhoogd tot gemiddeld 1000 klokuren per leerjaar en wordt voor een beroepsbegeleidende opleiding bij een niet-bekostigde instelling een urennorm van 200 begeleide onderwijsuren geïntroduceerd; Tweede Kamer, Vergaderjaar 2012–2013, Kamerstuk 33 187, nr. 9).
Het bevoegd gezag moet er daarnaast voor zorgen dat de betreffende opleiding (zowel de voltijdse als de deeltijdse) zodanig is ingericht dat de deelnemers de kwalificaties binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken, daarbij rekening houdend met de vooropleidingseisen genoemd in artikel 8.2.1 van de Web.
Vervolgens moet het bevoegd gezag zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en examinering. De (aankomende) deelnemers moeten door het bevoegd gezag volledig en tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma en de examens. Ook is het bevoegd gezag er voor verantwoordelijk dat de instelling over een deelnemersstatuut beschikt waarin de rechten en plichten van de deelnemers zijn opgenomen. Individuele rechten en plichten van zowel de betreffende deelnemer als de instellingen moeten in de onderwijsovereenkomst opgenomen worden evenals bepalingen over in elk geval:
• de inhoud en inrichting van de opleiding (voltijd/deeltijd, leerweg en examenvoorzieningen);
• de tijdvakken waarbinnen en – voor zover mogelijk – de locaties waarop het onderwijs verzorgd wordt, en
• de wijze waarop partijen uit de overeenkomst voortkomende prestaties gestalte zullen geven.
- Regeling
- Gewijzigde aanvraagprocedure diploma-erkenning
- Soort
- ZBO-regeling
- Geldend vanaf
- 25-03-2013
- BWB-id
- BWBR0033067
- Versie
- 2013-03-25_0