Algemene kennis en vaardigheden Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft
Kennis
Nummer toetsterm | Omschrijving toetsterm | Kennisniveau
Eindterm 1a De persoon maakt bij zijn werkzaamheden gebruik van actuele kennis van de relevante wet- en regelgeving en de van toepassing zijnde richtlijnen en gedragscodes.
1a.1 | De kandidaat kan de relatie tussen de eisen die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek (BW) met betrekking tot professioneel en integer handelen (zorgplicht: overeenkomst van opdracht Boek 7 art. 400 e.v.) uitleggen en kan de spanningsvelden met de Wet op het financieel toezicht (Wft) in concrete recente gevallen analyseren. | B
1a.2 | De kandidaat kan de mogelijke juridische, financiële en persoonlijke consequenties van een niet-professioneel en/of niet-integer advies uitleggen zoals vastgelegd in de artikelen 4:23 en 4:24a Wft. | B
1a.3 | De kandidaat kan relevante bepalingen inde Wet op medische keuring en in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst uitleggen. | B
1a.4 | De kandidaat kan de hoogte van de actuele sociale loongrenzen (minimumloon en max. dagloon) bij benadering noemen. | K
1a.5 | De kandidaat kan de gevolgen van de privacywetgeving uitleggen. | B
1a.6 | De kandidaat kan uitleggen onder welke voorwaarden financiële dienstverlening met betrekking tot beleggingsobjecten is vrijgesteld van de Wft-vergunningsplicht. | B
1a.7 | De kandidaat kan de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Europese Verordening marktmisbruik op hoofdlijnen uitleggen. | B
1a.8 | De kandidaat kan de relevante wettelijke regels inzake handelingsbekwaamheid, toestemmingsvereiste en onderbewindstelling uitleggen. | B
1a.9 | De kandidaat kan uitleggen in geval van execution only welke informatie ingewonnen dient te worden over de kennis en ervaring van de consument om te beoordelen of de financiële dienst passend is voor de consument. | B
Vaardigheden
Vaardigheid (V) De kandidaat kan: | Norm/Resultaat/Prestatie-indicator | Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid
Eindterm 2a De persoon beschikt over het vermogen om mondeling en schriftelijk te communiceren.
2a.1 Gestructureerd interviewen. | De kandidaat werkt gestructureerd en is onbevooroordeeld. Interviewtechniek en vraagpunten van het onderzoek zijn goed uitgewerkt en worden goed uitgevoerd. De kandidaat stelt de juiste en relevante vragen. De interviewtechniek is gebaseerd op de onderdelen: luisteren, doorvragen, confronteren en inleven in de klant. | Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert. De kandidaat interviewt klant in verschillende levensfasen en met betrekking tot verschillende gebeurtenissen. Het doel is dat de adviseur een goed klantbeeld krijgt, tegenstrijdigheden in wensen en doelstellingen signaleert en bespreekt om uiteindelijk een passend advies te kunnen geven.
2a.2 Adviesgesprek voeren. | De relevante informatie en de persoonlijke toelichting zijn correct, duidelijk en niet-misleidend en afgestemd op het begripsniveau van de klant. | Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert. De kandidaat is in staat te verifiëren of de gesprekspartner de informatie begrepen heeft.
2a.3 Formulieren en offertes invullen, aanvragen, controleren en indienen. | De kandidaat werkt gestructureerd en controleert de ingevulde formulieren. Is alert op fouten. Spoort eventuele fouten, onjuistheden of onvolkomenheden op. Communiceert hierover mondeling en schriftelijk op correcte en effectieve wijze met betrokkenen. Zorgt voor correcte documenten. De aanvraag wordt op de correcte wijze ingediend. | De kandidaat dient er alert op te zijn dat formulieren onduidelijkheden kunnen bevatten, de gevraagde informatie door de klant niet altijd goed begrepen wordt, en uiteindelijk alle relevante vragen voldoende duidelijk beantwoord zijn. De aanbieder krijgt – zoveel mogelijk in een keer – alle informatie die nodig is voor een juiste verwerking. Klanten zijn soms slordig en administraties van aanbieders zijn niet altijd foutloos.
2a.4 De documenten uitleggen. | De informatie is correct, duidelijk en afgestemd op het begripsniveau van de klant.
2a.5 Schriftelijk communiceren. | De informatie is correct, duidelijk en niet-misleidend en afgestemd op het begripsniveau van de klant. Document kent een heldere structuur en goede opbouw. Kandidaat gebruikt bijvoorbeeld tekeningen en grafische voorstellingen. | Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert. Demonstreert hoe hij de communicatie aanpast naar de verschillende belanghebbenden.
Eindterm 2b De persoon beschikt over het vermogen om ICT-toepassingen te gebruiken.
2b.1 Vragenlijsten en ICT-toepassingen, waaronder rekenmodellen toepassen. | De kandidaat voert de gegevens die hij van de klant heeft gekregen op de juiste manier in. De kandidaat gebruikt de juiste ICT-toepassing en controleert zoveel mogelijk het systeemantwoord op bijzondere, opvallende en/of afwijkende uitkomsten Is alert op fouten en onlogische uitkomsten. | ICT-programma’s kunnen gebruiken die ondersteunen bij de verwerking van gegevens om te komen tot een passend advies. Het kunnen herkennen van foute, onjuiste uitkomsten, zodat niet per definitie het systeemantwoord in alle gevallen leidend is. Zelf nadenken blijft ook ingeval van een ICT-toepassing een verantwoordelijkheid van de kandidaat.
- Regeling
- Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-04-2026
- BWB-id
- BWBR0032957
- Versie
- 2026-04-01_0