Taak 2 — Opstellen van de risicoanalyse ten behoeve van het advies (deel 1) Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft
Opstellen van de risicoanalyse ten behoeve van het advies
Kennis
Nummer toetsterm | Omschrijving toetsterm | Kennisniveau
Eindterm 1e De persoon baseert zijn risicoanalyse op grondige kennis van relevante wet- en regelgeving en jurisprudentie.
1e.1 | De kandidaat kan de inhoud van het convenant Van Leeuwen beschrijven, en de impact van de Wet op de Medische Keuringen op het acceptatieproces verklaren. | B
1e.2 | De kandidaat kan alle relevante juridische, fiscale en financiële consequenties van de diverse productoplossingen uitleggen. | B
1e.3 | De kandidaat kan de werking van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid beschrijven. | K
Eindterm 1f De persoon baseert zijn risicoanalyse op elementaire kennis van ontwikkelingen in de mondiale economie en de mogelijke gevolgen daarvan op het inkomen en het vermogen van de klant.
1f.1 | De kandidaat kan het begrip ‘economische groei’ omschrijven alsmede de factoren die met dit begrip samenhangen. | K
1f.2 | De kandidaat kan het begrip ‘inflatie’ omschrijven alsmede de factoren die met dit begrip samenhangen. | K
1f.3 | De kandidaat kan een het begrip ’rente’ (korte- en lange termijn) omschrijven alsmede de factoren die met dit begrip samenhangen. | K
1f.4 | De kandidaat kan het begrip ‘valutakoers’ omschrijven alsmede de factoren die met dit begrip samenhangen. | K
1f.5 | De kandidaat kan uitleggen wat voor de verschillende beleggingscategorieën de gevolgen zijn van ontwikkelingen in de economische groei. | B
1f.6 | De kandidaat kan uitleggen wat voor de verschillende beleggingscategorieën de gevolgen zijn van ontwikkelingen in de inflatie. | B
1f.7 | De kandidaat kan uitleggen wat voor de verschillende beleggingscategorieën de gevolgen zijn van ontwikkelingen in de rente (korte- en lange termijn). | B
1f.8 | De kandidaat kan uitleggen wat voor de verschillende beleggingscategorieën de gevolgen zijn van ontwikkelingen in de valutakoers. | B
1f.9 | De kandidaat kan uitleggen hoe beleggers reageren op verwachte cijfers en op feitelijke cijfers van de macro-economie. | B
Eindterm 1g De persoon is in staat om met betrekking tot financiële instrumenten en beleggingsobjecten in dialoog met de klant in kaart te brengen hoeveel risico de klant kan lopen en hoeveel risico de klant wil lopen.
1g.1 | De kandidaat kan de financiële risico’s van een financieel instrument of beleggingsobject definiëren en de risico’s van het al dan niet behalen van de financiële doelstelling door de klant beschrijven. | K
1g.2 | De kandidaat kan ter bepaling van het risicoprofiel van de klant per vraag uit de vragenlijst verklaren wat het verband is tussen de vraag en de mate waarin de klant risico kan en/of wil lopen. | B
1g.3 | De kandidaat kan per antwoord van de klant op een vraag uit de vragenlijst aangeven wat de invloed van het antwoord is op het te adviseren risicoprofiel van de klant. | B
1g.4 | De kandidaat kan de begrippen ‘risicoprofiel’ en ‘klantprofiel’ definiëren. | K
1g.5 | De kandidaat kan verklaren waarom de klant wordt ingedeeld in een bepaald risicoprofiel. | B
1g.6 | De kandidaat kan verklaren dat de gebruikte instrumenten van aanbieders om het risicoprofiel op te stellen in gelijke situaties tot wisselende uitkomsten kunnen leiden. | B
1g.7 | De kandidaat kan de specifieke risico’s uitleggen die betrekking hebben op de diverse vormen van beleggingsobjecten (zoals teakhout, wijnranken, direct vastgoed, private investeringen etc.). | B
1g.8 | De kandidaat kan de functie van de prospectus uitleggen. | B
1g.9 | De kandidaat kan uitleggen wat het verschil in risico is bij belegging in individuele titels, beleggingsfondsen dan wel beleggingsobjecten. | B
1g.10 | De kandidaat kan uitleggen waardoor er een verschil kan zijn tussen hoeveel risico een klant kan lopen en hoeveel risico een klant wil lopen. | B
1g.11 | De kandidaat kan de consequenties uitleggen van een lager, c.q. hoger risicoprofiel met betrekking tot de haalbaarheid van de doelstelling. | B
Eindterm 1h De persoon is in staat om met betrekking tot financiële instrumenten en beleggingsobjecten vast te stellen welke vorm van dienstverlening past bij het profiel en de wensen van de klant.
1h.1 | De kandidaat kan de verschillende vormen van dienstverlening omschrijven, zoals: execution only, advies en beheer en vermogensbeheer. | K
1h.2 | De kandidaat kan uitleggen aan de klant welke vorm van dienstverlening passend is en hoe daarbij zijn financiële positie, wensen en doelstellingen en kennis en ervaring zijn meegenomen en hoeveel risico de klant kan en wil lopen. | B
1h.3 | De kandidaat kan beschrijven wat hij moet doen wanneer de klant zich niet kan vinden in het geadviseerde risicoprofiel. | K
1h.4 | De kandidaat kan de (extra) risico’s uitleggen, indien een klant een lager of hoger risicoprofiel wil dan is geadviseerd. | B
Eindterm 1i De persoon is in staat om aan de klant uit te leggen wat wordt bedoeld met de risico- en rendementinformatie, die wordt gegeven bij de strategische assetallocaties, en wat dat voor hem betekent.
1i.1 | De kandidaat kan een omschrijving geven van de begrippen ‘verwacht rendement’ en ‘standaarddeviatie.’ | K
1i.2 | De kandidaat kan uitleggen wat het verband is tussen standaarddeviatie en waarschijnlijkheidsinterval van een strategische assetallocatie en in dit verband aangeven wat een normale verdeling is. | B
1i.3 | De kandidaat kan uitleggen wat de kans op een mogelijke uitkomst van een belegging in enig jaar is. | B
1i.4 | De kandidaat kan het verband tussen risico en rendement uitleggen. | B
1i.5 | De kandidaat kan het begrip ‘samengesteld rendement’ definiëren. | K
1i.6 | De kandidaat kan de beleggingshorizon en de relatie tussen tijd en risico uitleggen. | B
1i.7 | De kandidaat kan het risicotolerantiemodel definiëren. | K
1i.8 | De kandidaat kan het verband uitleggen tussen de verschillende risicoprofielen van beleggingsportefeuilles en de daarbij behorende minimaal veronderstelde beleggingshorizon. | B
1i.9 | De kandidaat kan uitleggen waarom er in het advies gebruik wordt gemaakt van een strategische assetallocatie. | B
1i.10 | De kandidaat kan de kenmerken van een strategische assetallocatie definiëren. | K
1i.11 | De kandidaat kan de kanttekeningen benoemen bij het gebruik van de normale verdeling. | K
1i.12 | De kandidaat kan uitleggen wat de consequenties kunnen zijn van het rekenen met de normale verdeling in verschillende scenario’s. | B
1i.13 | De kandidaat kan de weging van de categorieën in een strategische assetallocatie uitleggen. | B
1i.14 | De kandidaat kan, gegeven een risicoprofiel, het verband aangeven tussen een strategische assetallocatie en de verdeling over de verschillende assetcategorieën. | B
1i.15 | De kandidaat kan, gegeven een risicoprofiel, het verband aangeven tussen een strategische assetallocatie en de risico-rendementsverhouding. | B
1i.16 | De kandidaat kan het begrip modelportefeuille definiëren. | K
1i.17 | De kandidaat kan uitleggen waarom een gemaakte keuze van een beleggingsprofiel een momentopname is en onderhevig kan zijn aan veranderingen in persoonlijke omstandigheden, risicoperceptie en tijd. | B
1i.18 | De kandidaat kan het verschil tussen een strategische en een tactische assetallocatie uitleggen en wat de argumenten kunnen zijn om tactisch af te wijken van de strategische assetallocatie. | B
1i.19 | De kandidaat kan voor de waardering van een beleggingsproduct het verschil aangeven tussen een kwalitatieve waardering en een kwantitatieve waardering en kan aangeven welke gegevens bij deze twee waarderingsmethodes een rol spelen. | B
Eindterm 1j De persoon is in staat om uit te leggen op welke wijze spreiding in de portefeuille kan worden gerealiseerd.
1j.1 | De kandidaat kan diversificatie definiëren. | K
1j.2 | De kandidaat kan correlatie definiëren. | K
1j.3 | De kandidaat kan uitleggen wanneer er bij twee financiële instrumenten sprake kan zijn van voordelen door diversificatie. | B
1j.4 | De kandidaat kan uitleggen wat het verband is tussen risico en rendement van de verschillende strategische assetallocaties. | B
- Regeling
- Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-04-2026
- BWB-id
- BWBR0032957
- Versie
- 2026-04-01_0