wetzoeker

7.2 — Maatwerkvakken Regeling eindtermen educatie 2013

Maatwerkvakken

Maatwerkvak | Eindtermen

Geschiedenis vwo | Domein A: Historisch besef 1. De deelnemer kan: • gebeurtenissen uit zijn eigen leven alsmede verschijnselen, gebeurtenissen en personen uit de geschiedenis met behulp van een tijdbalk of een andere vorm van chronologische schematisering ordenen en daarbij de volgende aanduidingen van tijd en tijdsindeling gebruiken: jaren, eeuwen, tijdvakken, perioden en jaartellingen; • met gebruik van voorbeelden uit de perioden- en tijdvakkenindeling van eindterm 2, de westers-christelijke jaartelling en meerdere voorbeelden van jaartellingen of periodiseringen uitleggen dat chronologische indelingen interpretatief van aard zijn en (mede) afhangen van de standplaats die men inneemt en/of de vraag die men wil beantwoorden. 2. De deelnemer kan de volgende tijdvakken met bijbehorende tijdsgrenzen in chronologische volgorde noemen en als referentiekader gebruiken: • tijdvak 8: tijd van burgers en stoommachines (1800–1900) / industrialisatietijd / 19e eeuw; • tijdvak 9: tijd van de wereldoorlogen (1900–1950) / eerste helft 20e eeuw; • tijdvak 10: tijd van televisie en computer (vanaf 1950) / tweede helft 20e eeuw. 3. De deelnemer kan: • uitleggen dat de indeling in perioden en tijdvakken een westers perspectief op de geschiedenis vertegenwoordigt en wat de beperkingen en bezwaren daarvan kunnen zijn. 6. De deelnemer kan: • in het kader van een historische vraagstelling verklaringen geven voor historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen; • onderscheid maken tussen verschillende soorten oorzaken en gevolgen. 7. De deelnemer kan bij het geven van oordelen over het verleden rekening houden met: • het onderscheid tussen feiten en meningen; • tijd- en plaatsgebondenheid van interpretaties en oordelen afkomstig van personen uit het verleden en afkomstig van hedendaagse personen, onder wie hij zelf; • de rol van waardepatronen in heden en verleden; • het ondersteunen van uitspraken met behulp van argumenten. Domein B: Oriëntatiekennis 8. De deelnemer kan voor elk van de drie tijdvakken die genoemd zijn in eindterm 2: • de kenmerkende aspecten voor ieder tijdvak noemen; • bij elk kenmerkend aspect van een tijdvak een passend voorbeeld geven van een gebeurtenis, ontwikkeling, verschijnsel of handeling dan wel gedachtegang van een persoon en dit voorbeeld gebruiken om het betreffende aspect te verduidelijken; Voor tijdvak 8 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 31. de industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving; 32. discussies over de ‘sociale kwestie’; 33. moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie; 34. de opkomst van emancipatiebewegingen; 35. voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces; 36. de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme. Voor tijdvak 9 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 37. de rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie; 38. het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme; 39. de crisis van het wereldkapitalisme; 40. het voeren van twee wereldoorlogen; 41. racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden; 42. de Duitse bezetting van Nederland; 43. verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering; 44. vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme. Voor tijdvak 10 gelden de volgende kenmerkende aspecten: 45. de verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog; 46. de dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld; 47. de eenwording van Europa; 48. de toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen; 49. de ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen. Domein D: Geschiedenis van de rechtsstaat en van de parlementaire democratie 10. De deelnemer kan: • verband leggen tussen het ontstaan van vrijheidsrechten en politieke rechten in bepaalde historische tijdvakken en kenmerkende aspecten van die tijdvakken; • belangrijke denkers noemen en hun opvattingen over de relatie tussen staat en onderdanen • uitleggen onder invloed van welke factoren de rechtsstaat zich in Nederland heeft ontwikkeld en welke actoren erbij betrokken waren; • uitleggen onder invloed van welke factoren de parlementaire democratie zich in Nederland heeft ontwikkeld sinds 1795; • de ontstaansgeschiedenis van de belangrijkste politieke stromingen en partijen weergeven sinds 1848.

Regeling
Regeling eindtermen educatie 2013
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2022
BWB-id
BWBR0032543
Versie
2022-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl