wetzoeker

2.1 — Basisvakken Regeling eindtermen educatie 2013

Basisvakken

Basisvak | Eindtermen

Nederlands ERK-niveau B1 | Vaardigheden lezen, gesprekken voeren, spreken, luisteren en schrijven

Op weg naar Engels ERK-niveau A1 | Vaardigheden lezen, gesprekken voeren, spreken, luisteren en schrijven

Op weg naar mbo-rekenniveau 2 | 1. Grootheden en eenheden Beschikt over een klein aantal referentiematen voor gangbare grootheden, zoals lengte, gewicht en tijd, en maakt daarmee schattingen en berekeningen. Gebruikt grootheden, zoals lengte, gewicht, tijd en temperatuur en voert hiermee berekeningen uit. Herkent in een eenvoudige situatie om welke grootheid het gaat en gebruikt een passende (veelvoorkomende) eenheid om de waarde ervan uit te drukken, zoals kilometers voor de afstand tussen twee steden. Kiest bij een meetsituatie een geschikt (eenvoudig) meetinstrument, voert de meting uit en leest de gemeten waarde en eenheid af. Gebruikt vuistregels en eenvoudige woordformules, die het verband aangeven tussen twee of meer grootheden. Ondersteunende vaardigheden • gebruiken en ordenen van positieve en negatieve hele en eenvoudige decimale getallen; • handig rekenen met nullen en gebruiken van 10-regels bij omrekenen van eenheden en het rekenen met miljoen en miljard; • rekenen met tijd; • rekenen met eenvoudige gehele en decimale getallen (x, : en +, −). 2. Oriëntatie in de twee- en driedimensionale wereld Gebruikt in berekeningen enkele referentiematen voor oppervlakte en inhoud, zoals ‘mijn woonkamer is 4 bij 7 m’; ‘1 liter is een pak melk’. Gebruikt gangbare meetkundige namen en begrippen en (wind)richtingen om in herkenbare gevallen voorwerpen, plaatsen, routes en situaties te beschrijven. Gebruikt een routebeschrijving of een navigatiesysteem om een route te vinden en te volgen. Beschrijft een eenvoudige route in woorden of met een schets. Leest en interpreteert een eenvoudige werktekening, kaart of plattegrond (2D) en verbindt deze met de ruimtelijke werkelijkheid (3D). Onderscheidt in herkenbare situaties omtrek, oppervlakte en inhoud en herkent de eenheden die bij deze grootheden horen. Bepaalt in functionele situaties omtrek, oppervlakte en/of inhoud van eenvoudige figuren door middel van schatten, meten of berekenen. Ondersteunende vaardigheden • vermenigvuldigen en delen van gehele en decimale getallen; • windrichtingen kennen; • formules gebruiken; • schatten en afronden. 3. Verhoudingen herkennen en gebruiken Herkent verhoudingen in eenvoudige situaties en voert er functionele berekeningen mee uit. Kiest een passende aanpak of rekenmodel, zoals de verhoudingstabel, om verhoudingsgewijs te rekenen. Zet als dat nodig is eenvoudige verhoudingen om in gelijkwaardige verhoudingen of in breuken, delingen of percentages, bijvoorbeeld om ze te kunnen vergelijken. Herkent in eenvoudige situaties of twee grootheden verhoudingsgewijs samenhangen en voert er eenvoudige berekeningen mee uit. Ondersteunende vaardigheden • handig rekenen met nullen (10-regels); • rekenen met gehele en decimale getallen (x, : en +, −); • omzetten van eenheden in het metriek stelsel en eenheden van tijd (i.v.m. snelheid). 4. Procenten gebruiken Herkent in eenvoudige situaties met procenten dat het om een ‘deel van’ gaat (relatief) en weet waar het percentage van genomen wordt. Berekent in situaties waarin dat functioneel is de waarde van procentuele toename of afname bij een gegeven aantal/bedrag en een gegeven eenvoudig percentage (10-vouden en enkele 5-vouden). Gebruikt in situaties waar dat functioneel is de volgende relaties: 50% is de helft, 1/2 deel, delen door 2; 25% is een kwart, ¼ deel, delen door 4; 10% is 1/10 deel, delen door 10. Interpreteert eenvoudige (visuele) situaties waarin percentages boven de 100 voorkomen, zoals een pak met +10% hagelslag (als 110%). Herkent en vergelijkt in situaties eenvoudige percentages en delen (breuken) van een gegeven totaal. Ondersteunende vaardigheden • handig rekenen met nullen (10-regels); • rekenen met gehele en decimale getallen (x, : en +, -). 5. Omgaan met kwantitatieve informatie Leest gegevens af uit diverse eenvoudige formulieren, schema’s, tabellen en grafische voorstellingen om daarmee een vraag te beantwoorden of een situatie te beschrijven. Beoordeelt de weergave van de informatie uit diverse formulieren, schema’s, tabellen en grafische voorstellingen kritisch en trekt conclusies over de bijbehorende situatie. Voert eenvoudige berekeningen uit met gegevens en informatie uit formulieren, schema’s, tabellen en diagrammen die alleen absolute hoeveelheden of aantallen bevatten. Verzamelt om een vraag te beantwoorden zelf een beperkt aantal gegevens en ordent en verwerkt deze in een eenvoudige tabel of diagram, indien relevant ook met gebruik van ICT. Interpreteert de waarde van eenvoudige statistische grootheden als een situatie daarom vraagt. Ondersteunende vaardigheden • getallen ordenen op grootte; • rekenen met gehele en decimale getallen (x, : en +, -).

Regeling
Regeling eindtermen educatie 2013
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2022
BWB-id
BWBR0032543
Versie
2022-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl