Eindtermen opleiding Rekenen, gericht op op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs (deel 1) Regeling eindtermen educatie 2013
1. GETALLEN
A. Notatie, taal en betekenis | B. Met elkaar in verband brengen | C. Gebruiken | Algemene beschrijving Rekenen 2F
De uitspraak, schrijfwijze en betekenis herkennen en gebruiken van gehele getallen, eenvoudige breuken en decimale getallen, symbolen en rekenkundige relaties die voorkomen inde leer-, werk- en leefomgeving Rekentaal in de context van de leer-, werk- en leefomgeving gebruiken | Getallen en hun structuur en samenhang in de context van de leer-, werk- en leefomgeving begrijpen en gebruiken | In de context van de leer-, werk- en leefomgeving berekeningen uitvoeren en daarbij zonodig: • Gememoriseerde en geautomatiseerde kennis toepassen • Hoofdrekenen waarbij het noteren van tussenresultaten is toegestaan • Hoofdbewerkingen (+,-, x, :) uitvoeren • Rekenmachine of andere digitale rekenhulpmiddelen op adequate manier inzetten | Kan rekentaken uitvoeren in een voorstelbare context gerelateerd aan de eigen leef-, werk- en leersituatie. Het oplossen van problemen vraagt één of enkele handelingen. Selecteert zelf relevante gegevens voor de oplossing van een rekenprobleem. Het taalniveau is daarbij niet hoger dan 2F.
Eindtermen Getallen 2F
1 Kent de uitspraak, betekenis en waarde van negatieve getallen en kan deze gebruiken in functionele berekeningen. 2 Gebruikt en begrijpt rekenkundige symbolen en bewerkingen >, <, ±, 2, ≈, /, ≠ en de rekentaal en notatie die hiervoor gebruikt worden. 3 Interpreteert getallen met de benamingen miljoen en miljard en maakt er berekeningen mee. 4 Interpreteert de betekenis, functie en grootte van getallen (genoteerd in cijfers of taal) op de juiste manier. 5 Maakt met de rekenmachine of met andere digitale rekenhulpmiddelen berekeningen, ook met negatieve getallen, eenvoudige breuken, procenten en kwadraten. 6 Kiest een rekenmodel, maakt de juiste keuze tussen precies of globaal uitrekenen en het al dan niet inzetten van de rekenmachine of andere digitale rekenhulpmiddelen en kan daarbij het antwoord kritisch afronden, interpreteren en beoordelen.
3. VERHOUDINGEN
EINDTERMEN REKENEN voor opleidingen gericht op ingang beroepsonderwijs – VERHOUDINGEN 2F
A. Notatie, taal en betekenis | B. Met elkaar in verband brengen | C. Gebruiken | Algemene beschrijving Rekenen 2F
In de context van de leer-, werk- en leefomgeving de uitspraak, schrijfwijze en betekenis van percentages en breuken (als: deel van), verhoudingen en decimale getallen herkennen en gebruiken | In de context van de leer-, werk- en leefomgeving percentages, breuk, deling en 'deel van' met elkaar in verband brengen | In de context van de leer-, werk- en leefomgeving berekeningen uitvoeren met verhoudingen en percentages | Kan rekentaken uitvoeren in een voorstelbare context gerelateerd aan de eigen leef-, werk- en leersituatie. Het oplossen van problemen vraagt één of enkele handelingen. Selecteert zelf relevante gegevens voor de oplossing van een rekenprobleem. Het taalniveau is daarbij niet hoger dan 2F.
Eindtermen Verhoudingen 2F
1 Herkent en gebruikt de notatie, taal en betekenis van percentages, verhoudingen, decimale getallen en breuken. 2 Herkent veelvoorkomende samengestelde grootheden en eenheden (zoals snelheid, (bevolkings)dichtheid, prijs/kg en kB/s) als een verhouding en rekent ermee. 3 Kiest een passende aanpak om de voorkomende berekeningen met percentages, verhoudingen en de bijbehorende breuken en decimale getallen uit te voeren. 4 Weet wanneer het om relatieve getallen (zoals percentages en verhoudingen) gaat en waarin het rekenen met percentages verschilt van het rekenen met absolute getallen.
3. METEN EN MEETKUNDE
EINDTERMEN REKENEN voor opleidingen gericht op ingang beroepsonderwijs – METEN/MEETKUNDE 2F
A. Notatie, taal en betekenis | B. Met elkaar in verband brengen | C. Gebruiken | Algemene beschrijving Rekenen 2F
In de context van de leer-, werk- en leefomgeving kennis hebben van: • Lengte, oppervlakte, inhoud • Gewicht, temperatuur, tijd, geld • Meetkundige namen en begrippen | In de context van de leer-, werk- en leefomgeving relaties leggen tussen veelvoorkomende maten en 2D-representaties in verband brengen met de werkelijkheid. | In de context van de dagelijkse leer-, werk- en leefomgeving meet- en meetkunde-activiteiten uitvoeren. | Kan rekentaken uitvoeren in een voorstelbare context gerelateerd aan de eigen leef-, werk- en leersituatie. Het oplossen van problemen vraagt één of enkele handelingen. Selecteert zelf relevante gegevens voor de oplossing van een rekenprobleem. Het taalniveau is daarbij niet hoger dan 2F.
Eindtermen Meten en Meetkunde 2F
• Kent veelvoorkomende maten en voorvoegsels uit het metriek stelsel en zet deze in elkaar om. • Kent de verschillende tijdseenheden en -aanduidingen en kan ermee rekenen. • Kiest en gebruikt referentiematen bij berekeningen. • Gebruikt analoge en digitale meetinstrumenten, kan ze aflezen en de uitkomst interpreteren en noteren. • Leest maten en andere informatie af van een werktekening en plattegrond. • Meet, schat of berekent (ook met schaal) lengte, oppervlakte, omtrek en inhoud van concrete objecten en kiest de passende eenheid voor het antwoord. • Interpreteert situaties 2D-representaties en beschrijvingen van 3D-objecten, bewerkt deze, brengt ze met elkaar in verband en trekt conclusies. • Beschrijft objecten met behulp van meetkundige namen en begrippen.
4. VERBANDEN
A. Notatie, taal en betekenis | B. Met elkaar in verband brengen | C. Gebruiken | Algemene beschrijving Rekenen 2F
In de leer-, werk- en leefomgeving aflezen, analyseren en interpreteren van informatie uit veelvoorkomende tabellen, grafische voorstellingen en beschrijvingen. | In de leer-, werk- en leefomgeving verschillende voorstellingsvormen met elkaar in verband brengen, gegevens verzamelen en patronen beschrijven. | In de leer-, werk- en leefomgeving problemen oplossen door gebruik te maken van tabellen, diagrammen en grafieken. | Kan rekentaken uitvoeren in een voorstelbare context gerelateerd aan de eigen leef-, werk- en leersituatie. Het oplossen van problemen vraagt één of enkele handelingen. Selecteert zelf relevante gegevens voor de oplossing van een rekenprobleem. Het taalniveau is daarbij niet hoger dan 2F.
Eindtermen verbanden 2F
7 Leest, beschrijft en interpreteert gegevens uit tabellen, grafieken en diagrammenof andere grafische voorstellingen en kan er conclusies aan verbinden. 8 Maakt eenanaloge of digitale tabel of grafische voorstelling bij een voorstelbare kwantitatieve situatie. 9 Voert berekeningen uit met vuistregels en eenvoudige formules, ook met digitale rekenhulpmiddelen. 10 Gebruikt numerieke informatie uit tabellen, grafieken en diagrammen of andere grafische voorstellingen in berekeningen.
Basisniveau2
Algemene omschrijving
Kan veelvoorkomende digitale toepassingen gebruiken en handelingen verrichten, gerelateerd aan de leef-, werk- en leeromgeving.
Domein 1: ICT-systemen gebruiken
Eindtermen
Toelichting Gebruikt ICT-systemen | 1 2 3 | | Maakt gebruik van meerdere programma’s die tegelijkertijd actief zijn en wisselt informatie uit tussen die programma’s. Kiest het meest geschikte programma voor een toepassing. Maakt gebruik van interfacemogelijkheden voor bestandsbeheer: het opzetten van een directorystructuur, wissen en kopiëren van bestanden. Maakt gebruik van interfacemogelijkheden van veelgebruikte ICT-toepassingen: printen van bestanden, zoeken naar bestanden in een directory-structuur, verplaatsen van bestanden, kopiëren en plakken van tekst of afbeelding.
Voorbeelden
• Apparatuur gebruiken: scanner, digitaal fototoestel, mp3- en mp4-speler • Handelingen uitvoeren: een afbeelding opslaan via een browser, een afbeelding bewerken met grafische software en de nieuwe afbeelding plakken in een tekstverwerker
Domein 2: Beveiliging, privacy en ergonomie
Eindtermen
- Regeling
- Regeling eindtermen educatie 2013
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-01-2022
- BWB-id
- BWBR0032543
- Versie
- 2022-01-01_0