wetzoeker

f — intrekking van de verplichtstelling op grond van onvoldoende representativiteit Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling, aangepaste versie

intrekking van de verplichtstelling op grond van onvoldoende representativiteit

Na iedere periode van vijf jaar moet de beroepspensioenvereniging aantonen dat er nog steeds voldoende draagvlak is voor de verplichtstelling, de zogenaamde periodieke representativiteitstoets (zie hiervoor paragraaf 3b). Is er op dat moment geen sprake van een voldoende belangrijke meerderheid, dan krijgt zij nog twee jaar tijd om aan de representativiteitseis te voldoen. Na die twee jaar vindt een herhalingstoets plaats. Indien ook dan wordt vastgesteld dat de representativiteit onvoldoende is, zal de Minister van SZW overgaan tot intrekking van de verplichtstelling. De intrekking van de verplichtstelling heeft geen terugwerkende kracht.

In het geval van een voorgenomen intrekking op grond van onvoldoende representativiteit zal DNB worden gevraagd te oordelen over de financiële opzet van het pensioenfonds en de grondslagen waarop die opzet is gebaseerd, ook na de intrekking van de verplichtstelling.

De intrekking kan worden uitgesteld op basis van artikel 15, tweede lid, Wvb gedurende de periode dat tegen de intrekking overwegende bezwaren in verband met de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers bestaan. Hierover zal de Minister van SZW in overleg treden met DNB.

Op basis van artikel 15, derde lid, Wvb kan de Minister van SZW bij de intrekking voorschriften geven met betrekking tot de rechten en verplichtingen van onder meer de deelnemers en gewezen deelnemers. De opvatting van DNB over de financiële gevolgen van de intrekking kan hierbij als informatie dienen.

Regeling
Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling, aangepaste versie
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-01-2021
BWB-id
BWBR0032445
Versie
2021-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl