wetzoeker

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Besluit van 2 november 2012, houdende regels met betrekking tot de handhaving van de Wet dieren en enige andere aangelegenheden met betrekking tot die wet (Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren)

Soort
AMvB
Geldend vanaf
07-07-2026
Rechtsgebied
Belastingrecht, Invoer en douane, Milieurecht, Ruimtelijke ordening en milieu
Ministerie
Economische Zaken
BWB-id
BWBR0032334
Versie
2026-07-07_0
SHA-256 bron
bef6320543de34d8638746e98a0e14cb808e382cdbe25bf93016b46ade411b8b

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (32)
  1. Artikel 1.1
  2. Artikel 2.1
  3. Artikel 2.2
  4. Artikel 2.3
  5. Artikel 2.4
  6. Artikel 2.5
  7. Artikel 3.1
  8. Artikel 3.2
  9. Artikel 3.3
  10. Artikel 3.4
  11. Artikel 3.5
  12. Artikel 3.6
  13. Artikel 3.7
  14. Artikel 4.1
  15. Artikel 4.2
  16. Artikel 4.3
  17. Artikel 4.4
  18. Artikel 4.5
  19. Artikel 4.6
  20. Artikel 4.7
  21. Artikel 4.8
  22. Artikel 4.9
  23. Artikel 4.10
  24. Artikel 4.11
  25. Artikel 4.12
  26. Artikel 5.1
  27. Artikel 5.2
  28. Artikel 5.3
  29. Artikel 5.4
  30. Artikel 5.5
  31. Artikel 6.1
  32. Artikel 6.2

Hoofdstuk 1 — Algemeen

Artikel 1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

– Raad: Raad voor dierenaangelegenheden, bedoeld in artikel 10.8 van de wet;

– wet: Wet dieren;

– verordening (EU) nr. 2017/625: verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (Pb EU 2017 L 95);

– verordening (EU) nr. 2016/429: verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L 84).

Hoofdstuk 2 — De bestuurlijke boete

Artikel 2.1

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

– overtreder: overtreder als bedoeld in artikel 8.6, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

– overtreding: overtreding als bedoeld in artikel 8.6, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

Hoofdstuk 2 — De bestuurlijke boete

Artikel 2.2

1 De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:

a. categorie 1: € 500;

b. categorie 2: € 1500;

c. categorie 3: € 2500;

d. categorie 4: € 5000;

e. categorie 5: € 10.000 of, indien dat meer is, 10% van de jaaromzet.

2 Indien de hoogte van de krachtens het derde lid aangewezen boetecategorie door het met de overtreding te behalen economische voordeel aanmerkelijk wordt overschreden, kan Onze Minister een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste categorie 5, bedoeld in het eerste lid.

3 Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.

4 In de regeling, bedoeld in het derde lid, kan worden bepaald dat de hoogte van de bestuurlijke boete voor een overtreding wordt vastgesteld op het bedrag behorende bij de naasthogere boetecategorie ten opzichte van de categorie, bedoeld in het derde lid, indien bij de betreffende gedraging een in die regeling vastgesteld percentage dieren van het totaal aantal betrokken dieren was betrokken op een in die regeling aangewezen wijze.

Hoofdstuk 2 — De bestuurlijke boete

Artikel 2.3

Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:

a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;

b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.

Hoofdstuk 2 — De bestuurlijke boete

Artikel 2.4

Indien een overtreding is begaan anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt het voor die overtreding op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 op te leggen boetebedrag gehalveerd.

Hoofdstuk 2 — De bestuurlijke boete

Artikel 2.5

1 Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.

2 Bij ministeriële regeling kunnen overtredingen worden aangewezen die soortgelijk zijn aan daarbij aangewezen andere overtredingen.

3 Op krachtens het tweede lid aangewezen overtredingen is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3 — Raad voor dierenaangelegenheden

Artikel 3.1

1 De Raad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste 49 andere leden.

2 De leden brengen hun kennis en ervaring op persoonlijke titel in en treden niet op als vertegenwoordiger van een specifieke belangengroep.

3 De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.

4 Na afloop van de benoemingsperiode, bedoeld in het derde lid, kunnen de leden eenmaal worden herbenoemd voor de in dat lid bedoelde termijn.

5 De leden kunnen door Onze Minister:

a. op hun verzoek worden ontslagen;

b. in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om zwaarwegende reden worden geschorst en ontslagen.

Hoofdstuk 3 — Raad voor dierenaangelegenheden

Artikel 3.2

1 Onze Minister benoemt de secretaris en de adjunct-secretaris van de Raad.

2 De secretaris en de adjunct-secretaris zijn niet tevens lid van de Raad.

3 Voor de uitoefening van hun taak zijn de secretaris en de adjunct-secretaris uitsluitend verantwoording schuldig aan de Raad.

Hoofdstuk 3 — Raad voor dierenaangelegenheden

Artikel 3.3

1 De voorzitter roept de Raad bijeen:

a. zo dikwijls als hij dit nodig acht, maar in ieder geval twee keer per jaar;

b. indien ten minste vijf leden een daartoe strekkend, schriftelijk en met redenen omkleed verzoek bij de voorzitter hebben ingediend.

2 Na een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, roept de voorzitter de Raad bijeen binnen één maand nadat het verzoek door de voorzitter is ontvangen.

Hoofdstuk 3 — Raad voor dierenaangelegenheden

Artikel 3.4

1 De Raad voert op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging overleg over de in artikel 10.8 van de wet bedoelde vraagstukken.

2 De voorzitter kan met het oog op een overleg over een bepaald onderwerp uit de leden van de Raad een forum samenstellen en anderen dan leden van de Raad uitnodigen voor deelname aan dat overleg.

3 De Raad stelt een verslag op van een gevoerd overleg.

4 Het verslag wordt ter kennis gebracht van Onze Minister. Indien het verslag mede het belang van de volksgezondheid raakt, wordt dit ook ter kennis gebracht aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Hoofdstuk 3 — Raad voor dierenaangelegenheden

Artikel 3.5

1 De Raad stelt zijn werkwijze nader vast in een reglement.

2 Het reglement, bedoeld in het eerste lid, wordt na vaststelling toegezonden aan Onze Minister.

Hoofdstuk 3 — Raad voor dierenaangelegenheden

Artikel 3.6

De Raad stelt jaarlijks voor zijn werkzaamheden in het komende begrotingsjaar een ontwerpbegroting op en legt deze voor 1 april voor aan Onze Minister.

Hoofdstuk 3 — Raad voor dierenaangelegenheden

Artikel 3.7

De Raad doet jaarlijks voor 1 april schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden aan Onze Minister.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.1

Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit een verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van hoofdstuk 2 in de praktijk.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.2

De Raad brengt iedere zes jaren een rapport uit aan Onze Minister waarin de taakvervulling van de Raad aan een onderzoek wordt onderworpen.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.3

Indien een overtreding is begaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en als gevolg van die inwerkingtreding, in samenhang met de op dit besluit gebaseerde regels, een andere bestuurlijke boete kan worden opgelegd dan de bestuurlijke boete die voor die overtreding kon worden opgelegd op grond van de voor dat tijdstip geldende regels, worden de voor de overtreder gunstigste bepalingen toegepast.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.4

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de intrekking van een beoordeling van een nationale gids voor goede praktijken als bedoeld in artikel 8.44, tweede lid, van de wet.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.5

Onze Minister is bevoegd besluiten te nemen als bedoeld in artikel 35, derde lid, van verordening (EU) 2017/625.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.6

Onze Minister is de coördinerende instantie, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder b, verordening (EU) 2017/625.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.7

Op een besluit dat vanwege een geconstateerde niet-naleving is genomen en dat is gebaseerd of mede gebaseerd op artikel 19, eerste lid, of artikel 54, eerste en tweede lid, van verordening (EU) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PbEU 2004, L 165), dat is genomen voor 14 december 2019 en waartegen bezwaar is gemaakt, of beroep is ingesteld, wordt besloten met toepassing van die verordening zoals die luidde voor 14 december 2019.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.8

Onze Minister is bevoegd besluiten te nemen ter uitvoering van aan een lidstaat gerichte bindende en niet-bindende onderdelen van verordening (EU) nr. 2016/429 of verordening (EU) nr. 2017/625 of op één van die verordening gebaseerde gedelegeerde handeling of uitvoeringshandeling, voor zover die bindende en niet-bindende onderdelen onderwerpen betreffen, bedoeld in de artikelen 2.2, tiende lid, 2.3, vierde lid, 2.4, tweede of derde lid, 2.5, tweede lid, 2.6, tweede of derde lid, 2.7, tweede lid, 2.8, vierde lid, 2.10, derde lid, 2.15, tweede of vierde lid, 2.16, tweede lid, 2.20, tweede lid, 2.22, tweede lid, 3.1, tweede lid, 3.2, tweede lid, 4.8, vierde lid, 7.2, eerste tot en met derde lid, 7.3, derde lid, 7.4, eerste lid, 7.6, eerste lid, 7.8, of 10.2 van de Wet dieren.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.9

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de uitvoering van niet-bindende onderdelen van een op verordening (EU) nr. 2016/429 of op verordening (EU) nr. 2017/625 gebaseerde gedelegeerde handeling of uitvoeringshandeling, voor zover die niet-bindende onderdelen onderwerpen betreffen, bedoeld in de artikelen 2.2, tiende lid, 2.3, vierde lid, 2.4, tweede of derde lid, 2.5, tweede lid, 2.6, tweede of derde lid, 2.7, tweede lid, 2.8, vierde lid, 2.10, derde lid, 2.15, tweede of vierde lid, 2.16, tweede lid, 2.20, tweede lid, 2.22, tweede lid, 3.1, tweede lid, 3.2, tweede lid, 4.8, vierde lid, 7.2, eerste tot en met derde lid, 7.3, derde lid, 7.4, eerste lid, 7.6, eerste lid, 7.8, of 10.2 van de Wet dieren.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.10

1 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over laboratoria waar en de wijze waarop laboratoriumanalyses, -tests, en -diagnoses plaatsvinden ten behoeve van:

a. officiële controles of andere officiële activiteiten als bedoeld in artikel 2 van verordening (EU) nr. 2017/625;

b. de afgifte van certificaten voor het buiten Nederland brengen van dieren of dierlijke producten;

c. verrichten van onderzoek naar de aanwezigheid van ziekteverwekkers, dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen; of

d. het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften.

2 Een laboratorium voert laboratoriumanalyses, -tests en -diagnoses uit als bedoeld in het eerste lid, aanhef, en onder b, c of d, indien het is erkend door Onze Minister.

3 De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op:

a. de meldingen van uitkomsten van uitgevoerde laboratoriumanalyses, -tests, en -diagnoses aan Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen instantie;

b. de monitoring van de werkzaamheden waarvoor het laboratorium is erkend; of

c. het rapporteren over uitgevoerde laboratoriumanalyses, -tests, en -diagnoses aan Onze Minister.

4 Onze Minister wijst instanties aan die de monitoring, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, uitvoeren. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van de monitoring.

5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gevallen waarin een erkenning wordt geschorst of ingetrokken.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.11

Onze Minister is bevoegd besluiten te nemen ter uitvoering van aan een lidstaat gerichte bindende onderdelen van verordening (EU) nr. 2019/4 of verordening (EU) nr. 2019/6 of een op die verordeningen gebaseerde gedelegeerde handeling of uitvoeringshandeling, voor zover die bindende onderdelen onderwerpen betreffen, bedoeld in de artikelen 2.2, tiende lid, 2.20, tweede lid, 7.2, eerste tot en met derde lid, 7.3, derde lid, 7.4, eerste lid, 7.6, eerste lid, 7.8, of 10.2 van de Wet dieren.

Hoofdstuk 4 — Overige bepalingen

Artikel 4.12

Indien bij ministeriële regeling onder toepassing van artikel 7.1 van de wet is bepaald dat een besluit tot verlening van een vergunning, erkenning, toestemming, toelating, registratie, bewijs van vakbekwaamheid, goedkeuring, vrijstelling, ontheffing, algemeen verbindend verklaring of certificering is vereist, kunnen bij die ministeriële regeling regels worden gesteld over de gevallen waarin een besluit als bedoeld in die regeling wordt geschorst of ingetrokken.

Hoofdstuk 5 — Aanpassing andere regelgeving

Artikel 5.1

Wijzigt de Algemene douanewet.

Hoofdstuk 5 — Aanpassing andere regelgeving

Artikel 5.2

Wijzigt het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen.

Hoofdstuk 5 — Aanpassing andere regelgeving

Artikel 5.3

Wijzigt het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten.

Hoofdstuk 5 — Aanpassing andere regelgeving

Artikel 5.4

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

Hoofdstuk 5 — Aanpassing andere regelgeving

Artikel 5.5

Wijzigt het Opiumwetbesluit.

Hoofdstuk 6 — Slotbepalingen

Artikel 6.1

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Hoofdstuk 6 — Slotbepalingen

Artikel 6.2

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.