Bijlage 4-1 Afspraken over de harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie, tweede tranche
Ministerie van Binnenlandse Zaken
Postadres | _
Posibus 20011 | De ministers
2500 EA s-Gravenhage
Telefoon 070-7179 n Telex 32109
teanl
Bijlagen | Uw brief | Ons nummer .AB82/018 | Datum
10 maart 1982
Onderwerp buitengewoon verlof voor jeugd- en jongerenwerk | | Departementsonderdee! DGDP/OPZ/AJZ
De ontwikkelingen op het gebied van het jeugdbeleid (in ruime zin) maken het wenselijk de voor het burgerlijk rijkspersoneel geldende regeling voor het verlenen van buitengewoon verlof ten behoeve van jeugdwerk (rondzendbrieven van de Minister van Binnenlandse Zaken van 10 juni 1974, nr. A374/U993 en van 1 'maart 1977, nr. A377/U301) aan te passen.
De laatste jaren is de behoefte gegroeid de begeleiding bij jeugdkampen en kindervakantie-activiteiten te intensiveren. Lag het accent bij kampen/kindervakantie-activiteiten voorheen op recreatieve aspecten, thans worden meer educatieve elementen in dergelijke activiteiten ingebracht. Om de kwaliteit van de begeleiding te handhaven en de uitvoering van het programma te waarborgen, is het dan ook noodzakelijk meer vrijwillig medewerkenden bij kampen en kindervakantie-activiteiten te betrekken. De thans geldende normen moeten hiermee in overeenstemming worden gebracht.
Bij jeugdkampen ligt het accent op het in groepsverband gedurende een aantal dagen gezamenlijk actief zijn. Ten einde te voorkomen dat dit aspect in het gedrang komt, is het noodzakelijk een minimum aantal deelnemers per kamp vast te stellen.
In het verleden werd slechts verlof gevraagd voor het assisteren van de leiding bij zomerkampen die een week of langer duurden. Steeds vaker wordt echter verlof gevraagd voor kampen die tijdens herfst-, Kerst-, Paas- en Pinkstervakantie worden georganiseerd. Ook kindervakantie-activiteiten vinden vaker dan voorheen, in deze vakantie plaats. De tot nu toe voor deze activiteiten gestelde minimum duur is met genoemde ontwikkeling niet meer in overeenstemming.
De procedure van indiening en behandeling van verlofaanvragen is in de praktijk anders dan thans is voorgeschreven. Aanpassing van deze voorschriften en opneming daarin van een aanvraagtermijn verdienen aanbeveling.
Tenslotte is het wenselijk de terminologie in de regeling te actualiseren.
In plaats van over ‘jeugdwerk’ wordt gesproken over: jeugd- en jongerenwerk. Het begrip ‘Jeugdleider’ is vervangen door: vrijwillig medewerkende.
In verband met het bovenstaande, is door de Raad van Ministers besloten de in aanhef vermelde regeling met ingang van 1 januari 1982 te vervangen door de hierna volgende regeling buitengewoon verlof ten behoeve van het jeugd- en jongerenwerk.
1. Aan rijksambtenaren/-werknemers kan, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, met toepassing van artikel 33e van het Algemeen Rijksambtenarenreglement/artikel 30g van het Arbeidsovereenkomstenbesluit, buitengewoon verlof van korte duur met behoud van bezoldiging worden verleend voor:
1.1 het leiden of volgen van een cursus, gericht op vrijwilligers die zich met jeugd- en jongerenwerk bezighouden;
1.2 het leiden van een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit als hoofdleider (leider-coördinator)
1.3 het assisteren van de hoofdleider van een jeugdkamp/kindervakantie- activiteit op basis van één vrijwillig medewerkende op elke 15 deelnemers, en één vrijwillig medewerkende op elke 3 deelnemers wanneer het een kamp/vakantie-activiteit betreft voor lichamelijk of geestelijk gehandicapte jeugd.
Voor de onder 1.3. bedoelde gevallen kan alleen buitengewoon verlof worden verleend indien de aanwezigheid voor het welslagen van een jeugd-kamp/kindervakantie-activiteit dringend gewenst is en geen andere persoon beschikbaar is.
2. Een cursus als bedoeld onder 1.1. moet uitgaan van een landelijke of een provinciale organisatie voor jeugd- en jongerenwerk of van een landelijke of provinciale jeugdafdeling van een sportorganisatie, dan wel door een van deze organisaties worden aanbevolen als belangrijk voor de vorming van de vrijwilliger. De cursus moet ten minste drie achtereenvolgende dagen duren.
3. Een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit bedoeld onder 1.2. of 1.3. moet uitgaan van een landelijk werkende jeugd- of sportorganisatie dan wel van een plaatselijk, regionaal of provinciaal werkende jeugd- of sportorganisatie, of worden georganiseerd door een instelling die geheel of gedeeltelijk ten behoeve van de jeugd werkzaam is. Een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit met minder dan. tien deelnemers valt niet onder deze regeling.
4. Onder een jeugdkamp wordt verstaan het kamperen (hetzij in tenten, hetzij in een ander daarvoor geschikt verblijf) van jongeren in groepsverband. De leiding van een jeugdkamp moet geheel of voornamelijk bestaan uit vrijwillig medewerkenden. Gezinskampen vallen niet onder deze regeling. Onder een jeugdkamp wordt mede verstaan een jeugd-sportkamp voor zover de leiding geheel of voornamelijk berust bij vrijwillig medewerkenden. Uitgesloten zijn wedstrijdkampen, sporttournooien en sportwervings- of selectiekampen. Kampen kunnen zowel in Nederland als in het buitenland worden gehouden. Een kamp moet ten minste vier achtereenvolgende dagen duren.
5. Onder een kindervakantie-activiteit wordt verstaan een door een plaatselijk of regionaal werkende jeugdorganisatie of gemeentelijke instantie georganiseerde vakantie-activiteit voor jeugd en jongeren. Een kindervakantie-activiteit moet ten minste drie achtereenvolgende dagen duren.
6. onder vrijwillig medewerkende wordt in deze regeling verstaan iemand die gedurende het hele jaar zonder vaste vergoeding (onkostenvergoeding uitgezonderd) in zijn of haar vrije tijd in enig organisatorisch verband (mede) leiding geeft aan een groep of aan groepen jongeren.
7. Het buitengewoon verlof bedraagt voor de onder 1.1. tot en met 1.3. bedoelde gevallen telkens ten hoogste vijf dagen, met dien verstande dat per kalenderjaar in totaal niet meer dan tien dagen kunnen worden toegegekend.
8. Deze regeling is niet van toepassing op onderwijsgevenden.
a. door het bestuur van:
– de landelijke organisatie voor jeugd- en jongerenwerk die de cursus organiseert;
– de landelijke instelling die kampen organiseert voor jeugd en jongeren;
– de landelijke sportorganisatie (of de jeugdafdeling daarvan) als het kamp/de kindervakantie-activiteit uitgaat van een van deze landelijke organisaties, of van een plaatselijke afdeling daarvan;
b. door een provinciaal, regionaal of plaatselijk werkende instelling voor jeugd- en jongerenwerk, als het betreft niet landelijk georganiseerde jeugd- en jongerenwerk of kindervakantie-activiteiten. Bij het ontbreken van een dergelijke instelling dienen de aanvragen via de gemeentesecretarie of de provinciale jeugdraad te worden ingediend.
De aanvragen voor buitengewoon verlof moeten worden ingediend via de afdeling Jeugdzaken van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en worden, voorzien van een advies van het hoofd van deze afdeling, doorgezonden aan de betrokken werkgever.
- Regeling
- Afspraken over de harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie, tweede tranche
- Soort
- Circulaire
- Geldend vanaf
- 08-12-2010
- BWB-id
- BWBR0029054
- Versie
- 2010-12-08_0