2.6.6 — Artikel 1F Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 1F
Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES. Zij komen evenmin voor bescherming in aanmerking op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES.
Bij de beoordeling of de vreemdeling bescherming toekomt op grond van het Vluchtelingenverdrag, wordt daarom eerst de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag onderzocht voordat wordt bezien of de vreemdeling een verdragsvluchteling in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag is. Voor het tegenwerpen van artikel 1F is een (buitenlands) strafvonnis niet nodig, omdat vervolging van deze misdaden niet altijd kan plaatsvinden. Wordt artikel 1F tegengeworpen, dan is de toets aan het Vluchtelingenverdrag afgerond.
Ingevolge artikel 1F zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
a. de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
b. de vreemdeling een ernstig niet politiek misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn toevlucht tot de BES;
c. de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de VN als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de VN.
Ad a:
Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een individu of een land dat een gewapende aanval op burgers heeft ingezet.
Belangrijke instrumenten ter invulling van art. 1Fa zijn bijvoorbeeld:
– het Handvest van het Neurenberg-tribunaal;
– de Vier Geneefse conventies van 1949 en de aanvullende protocollen van 1977; en
– het Statuut van Rome.
Ad b:
Factoren die een rol spelen bij het bepalen van de ernst van een misdrijf zijn de aard van de handeling en de omvang van de gevolgen van de handeling. Wanneer er wordt gesteld dat een ernstig misdrijf is gepleegd om een politieke doelstelling na te streven, wordt een predominantie test uitgevoerd, dat wil zeggen dat het politieke element van het misdrijf afgewogen wordt tegen het commune element ervan en dat wordt gekeken of wordt voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Dat wil zeggen dat beoordeeld moet worden in hoeverre het delict dat betrokkene heeft gepleegd, zich verhoudt tot het bereiken van het beoogde politieke doel. Met andere woorden: had hij dit doel misschien ook op een andere, minder vergaande, manier kunnen bereiken.
Deze pre-dominantietest wordt toegepast bij relatieve politieke misdrijven als mishandeling (tenzij mishandeling hier moet worden beschouwd als foltering/marteling), drugshandel, roofovervallen met buitensporig geweld en brandstichting.
De pre-dominantietest kan achterwege blijven bij misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap. Voorbeelden van zulke internationale instrumenen zijn het Genocide Verdrag, het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977 en de resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en september 2001 inzake terrorisme.
Voorbeelden van dit soort misdrijven zijn onder meer moord, doodslag, verkrachting, foltering, genocide, slavernij, slavenhandel, hoogverraad en het verstoren van verkiezingen, vliegtuigkaping, aanslagen op internationaal beschermde personen, ontvoering, gijzeling, vrijheidsberoving en bomaanslagen en -brieven.
Ad c:
De doelstellingen van de VN staan opgesomd in de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. De beginselen van de VN staan opgesomd in artikel 2 van het Handvest. Artikel 1F (c) is van toepassing op gevallen van schendingen van deze doelstellingen en beginselen. Het heeft in het bijzonder betrekking op personen met een hoge openbare functie die uit hoofde van hun verantwoordelijkheden handelingen hebben bevolen of toegestaan die in strijd zijn met genoemde doelstellingen en/of beginselen, alsmede op personen die verantwoordelijkheid hebben gedragen voor dergelijke handelingen, bijvoorbeeld omdat zij deel uitmaakten van de veiligheidsdiensten.
De volgende handelingen vallen in ieder geval onder artikel 1F(c):
– handelingen die expliciet zijn genoemd door het Internationaal Hof van Justitie, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad van de VN als strijdig met de doelstellingen en/of beginselen van de VN; hieronder valt onder meer internationaal terrorisme, zoals is verklaard in resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van 28 september 2001; en
– misdrijven die strafbaar zijn gesteld in het internationaal recht en waarvoor universele jurisdictie geldt, zoals oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en misdrijven tegen de vrede; dergelijke misdrijven zijn evident in strijd met één of meerdere doelstellingen en/of beginselen van de VN.
Individuele verantwoordelijkheid voor deelname aan een misdrijf vallend onder artikel 1F
Om artikel 1F tegen te kunnen werpen dient er sprake zijn van een ernstig vermoeden dat de betrokken vreemdeling heeft deelgenomen aan een misdrijf vallend onder artikel 1F. De bewijslast hierbij ligt in dit bijzondere geval bij de Minister.
Bezien moet worden of de vreemdeling individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het misdrijf/de misdrijven. Daarvoor dient er een ernstig vermoeden te zijn dat hij op enige wijze persoonlijk heeft deelgenomen ('personal participation') en weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de misdrijven ('knowing participation').
Bij de toetsing van de verschillende deelnemingsvormen aan een misdrijf, bijv. het plegen van of iemand aanzetten tot het plegen van een misdrijf of deelnemen aan een criminele organisatie moet aansluiting worden gezocht bij de artikelen 25, en 28 van het Statuut van Rome.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of iemands opzet ook gericht was op het plegen van het misdrijf overeenkomstig artikel 30 van het Statuut van Rome.
Aanwijzingen voor de uitvoering van 1F
Wanneer het vermoeden bestaat dat een vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd, dient voor advies hoe te handelen bij de beoordeling van de aanvraag contact te worden opgenomen met de unit 1F van de IND in Nederland.
- Regeling
- Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Afkortingen
- CTU-BES
- Soort
- circulaire-BES
- Geldend vanaf
- 01-01-2026
- BWB-id
- BWBR0028837
- Versie
- 2026-01-01_0