wetzoeker

Artikel 18 Onteigeningswet BES

Van het geding tot onteigening

1 Is hetgeen onteigend moet worden niet bij minnelijke overeenkomst verkregen, dan doet de onteigenende partij de in het besluit aangewezen eigenaar voor de rechter in eerste aanleg, op een aan deze ingediend verzoekschrift oproepen, teneinde de onteigening te horen uitspreken en het bedrag der schadeloosstelling te horen bepalen. Betreft de onteigening een recht, dan wordt zij ingesteld tegen de in het besluit aangewezen rechthebbende; van deze vordering wordt kennisgenomen door de rechter in eerste aanleg.

2 Bij onteigening van een onroerende zaak waarop blijkens de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES, een eeuwigdurende erfpacht rust, wordt ook de erfpachter opgeroepen.

3 De vordering tot onteigening moet op straffe van verval worden ingesteld binnen de termijn, bepaald bij de in artikel 11 bedoelde wet.

4 Het verzoekschrift wordt betekend aan degenen die als houder van op het te onteigenen goed rustende hypotheken in de openbare registers bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijke Wetboek BES zijn ingeschreven en aan de in die registers ingeschreven beslagleggers op het te onteigenen goed.

Regeling
Onteigeningswet BES
Soort
wet-BES
Geldend vanaf
01-07-2021
BWB-id
BWBR0028729
Versie
2021-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl