wetzoeker

Artikel 625 Wetboek van Strafvordering BES

Tenuitvoerlegging van bevelen tot vrijheidsontneming en veroordelende vonnissen

1 De invrijheidstelling geschiedt door het hoofd van de inrichting:

a. op de laatste dag van de straftijd, indien de duur van de straf niet meer is dan drie dagen;

b. op de laatste dag van de straftijd die geen zondag of algemeen erkende feestdag is, indien de duur van de straf meer dan drie dagen en minder dan twee maanden is;

c. in andere gevallen van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, op de laatste dag van de straftijd die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is;

d. zodra de geldigheid van het bevel tot vrijheidsontneming ophoudt;

e. zodra het bevoegd gezag de last tot invrijheidstelling aan het hoofd van de inrichting heeft verstrekt.

2 De invrijheidstelling vindt in geen geval plaats na het ogenblik waarop de straftijd verstrijkt.

3 Indien de invrijheidstelling ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b of c, geschiedt alvorens de straftijd geheel is verstreken, vervalt het recht van tenuitvoerlegging voor het nog resterende gedeelte van de straf.

4 Voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt, in gevallen waarin ten aanzien van een gedeelte van de straf een bevel als bedoeld in artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht BES is gegeven, met dat gedeelte alleen rekening gehouden, voor zover de tenuitvoerlegging daarvan door de rechter is gelast.

Regeling
Wetboek van Strafvordering BES
Soort
wet-BES
Geldend vanaf
01-07-2025
BWB-id
BWBR0028681
Versie
2025-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl