wetzoeker

Wet geldstelsel BES

Wet van 30 september 2010, houdende regels met betrekking tot het geldstelsel van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, alsmede enige voorzieningen van overgangsrechtelijke aard (Wet geldstelsel BES)

Soort
wet-BES
Geldend vanaf
01-07-2012
Rechtsgebied
Financieel en economisch recht
Ministerie
Financiën
BWB-id
BWBR0028551
Versie
2012-07-01_0
SHA-256 bron
015d9cf4e6847bdb7903fca6af450016ce7e8d7c318090406d1b4aada644ae25

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (44)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 13a
  15. Artikel 13b
  16. Artikel 13c
  17. Artikel 13d
  18. Artikel 13e
  19. Artikel 13f
  20. Artikel 13g
  21. Artikel 13h
  22. Artikel 13i
  23. Artikel 13j
  24. Artikel 13k
  25. Artikel 13l
  26. Artikel 13m
  27. Artikel 13n
  28. Artikel 13o
  29. Artikel 13p
  30. Artikel 13q
  31. Artikel 13r
  32. Artikel 13s
  33. Artikel 13t
  34. Artikel 13u
  35. Artikel 13v
  36. Artikel 13w
  37. Artikel 13x
  38. Artikel 13y
  39. Artikel 13z
  40. Artikel 14
  41. Artikel 15
  42. Artikel 16
  43. Artikel 17
  44. Artikel 18

§ 1 — Het geldstelsel van de openbare lichamen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

b. dollar: de gelijknamige munteenheid van de Verenigde Staten van Amerika;

c. dollarbiljetten en dollarmunten: als wettig betaalmiddel van de Verenigde Staten van Amerika in omloop zijnde bankbiljetten en munten;

d. openbare lichamen: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

e. kredietinstelling: kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES.

§ 1 — Het geldstelsel van de openbare lichamen

Artikel 2

1 De munteenheid van de openbare lichamen is de dollar. De rekeneenheid is één dollar; de dollar is verdeeld in honderd centen.

2 Bij in cijfers aangegeven bedragen kan de dollar worden aangeduid met de letters «USD» of het symbool «$», geplaatst voor het bedrag.

§ 1 — Het geldstelsel van de openbare lichamen

Artikel 3

Bankbiljetten en munten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel in de openbare lichamen zijn:

a. dollarmunten met een nominale waarde van ten hoogste USD 1;

b. dollarbiljetten met een nominale waarde van ten hoogste USD 100.

§ 1 — Het geldstelsel van de openbare lichamen

Artikel 4

1 De Bank heeft tot taak het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer in de openbare lichamen. De goede werking van het betalingsverkeer omvat mede de geldomloop van de in artikel 3 bedoelde dollarbiljetten en dollarmunten.

2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde taak.

§ 1 — Het geldstelsel van de openbare lichamen

Artikel 5

1 Niemand is verplicht om voor één betaling meer dan vijftig dollarmunten te aanvaarden.

2 De Bank kan in de openbare lichamen kantoren aanwijzen waar, met inachtneming van daartoe door de Bank gestelde regels, dollarmunten kunnen worden verwisseld voor dollarbiljetten.

§ 1 — Het geldstelsel van de openbare lichamen

Artikel 6

1 Niemand is verplicht om valse of vervalste dollarbiljetten of dollarmunten aan te nemen.

2 Ondernemingen of instellingen die in de openbare lichamen het bedrijf van kredietinstelling uitoefenen of in de uitoefening van een ander bedrijf deelnemen aan de verwerking en verstrekking aan het publiek van dollarbiljetten of dollarmunten, zijn verplicht alle door hen ontvangen dollarbiljetten en dollarmunten waarvan zij weten of vermoeden dat deze vals of vervalst zijn, uit omloop te nemen en in te leveren bij een daartoe bij besluit van Onze Minister van Financiën aangewezen instantie.

3 Indien dollarbiljetten of dollarmunten niet vals of vervalst blijken te zijn, worden zij teruggegeven in de staat waarin zij zijn ontvangen, of wordt daarvan de nominale waarde vergoed. Voor valse of vervalste dollarbiljetten en dollarmunten wordt geen vergoeding verstrekt.

§ 1 — Het geldstelsel van de openbare lichamen

Artikel 7

1 Niemand is verplicht om geschonden dollarbiljetten of dollarmunten aan te nemen.

2 Onder geschonden dollarbiljetten en dollarmunten worden niet verstaan kennelijk in het gebruik gekreukte, vervuilde of beschadigde dollarbiljetten waarvan de volledige opdruk nog duidelijk te onderscheiden is, en dollarmunten die uitsluitend door slijtage in gewicht zijn verminderd.

3 De Bank kan in de openbare lichamen kantoren aanwijzen waar, met inachtneming van de ter zake door de bevoegde autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika gehanteerde regels of richtlijnen, geschonden dollarbiljetten of dollarmunten ter verwisseling of vergoeding kunnen worden aangeboden.

§ 2 — Overgangsbepalingen in verband met invoering van de dollar

Artikel 8

De omrekenkoers voor de overgang van de Nederlands-Antilliaanse gulden naar de dollar is: NAf. 1,790 = USD 1,00.

§ 2 — Overgangsbepalingen in verband met invoering van de dollar

Artikel 9

1 Alle bij een onderneming of instelling die in de openbare lichamen het bedrijf van kredietinstelling uitoefent aangehouden tegoeden, in de vorm van giraal geld of anderszins, luiden met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in dollars, overeenkomstig de in artikel 8 vastgestelde omrekenkoers.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op tegoeden, aangehouden in andere munteenheden dan de Nederlands-Antilliaanse gulden.

§ 2 — Overgangsbepalingen in verband met invoering van de dollar

Artikel 10

1 Na de inwerkingtreding van deze wet gelden verwijzingen naar Nederlands-Antilliaanse guldens, opgenomen in bestaande rechtsinstrumenten, als verwijzingen naar de dollar, overeenkomstig de in artikel 8 vastgestelde omrekenkoers.

2 Onder bestaande rechtsinstrumenten als bedoeld in het eerste lid worden, voor zover op die instrumenten het recht van de openbare lichamen van toepassing is, verstaan: alle op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende wettelijke voorschriften, besluiten van bestuursorganen, rechterlijke uitspraken, overeenkomsten, eenzijdige rechtsakten, betaalmiddelen anders dan bankbiljetten en munten, alsmede andere op rechtsgevolg gerichte instrumenten.

3 Het eerste lid is niet van toepassing, voor zover uit de aard of strekking van een rechtsinstrument anders voortvloeit. Voorts is het eerste lid niet van toepassing op overeenkomsten ten aanzien waarvan de betrokken partijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen.

§ 2 — Overgangsbepalingen in verband met invoering van de dollar

Artikel 11

1 Voor de toepassing van de artikelen 9 en 10 worden de overeenkomstig artikel 8 omgerekende bedragen rekenkundig afgerond op de dichtstbijzijnde dollarcent. Halve centen worden naar boven afgerond.

2 Indien het oorspronkelijke bedrag in meer dan twee decimalen was gesteld, geschiedt de afronding met inachtneming van het oorspronkelijke aantal decimalen. De afrondingsregel voor halve centen is in dat geval van overeenkomstige toepassing op de laatste decimaal.

§ 2 — Overgangsbepalingen in verband met invoering van de dollar

Artikel 12

De in Nederlands-Antilliaanse guldens luidende bankbiljetten en munten die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in omloop waren als wettig betaalmiddel, behouden tot en met de laatste dag van de eerste kalendermaand na inwerkingtreding van deze wet de hoedanigheid van wettig betaalmiddel in de openbare lichamen.

§ 2 — Overgangsbepalingen in verband met invoering van de dollar

Artikel 13

1 Bij besluit van de Bank worden in de openbare lichamen kantoren aangewezen waar tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor bankbiljetten en munten verschillend kan worden vastgesteld, Nederlands-Antilliaanse munten en bankbiljetten kosteloos kunnen worden verwisseld voor wettig betaalmiddel als bedoeld in artikel 3.

2 De Bank kan nadere regels stellen betreffende de in het eerste lid bedoelde verwisseling van Nederlands-Antilliaanse munten en bankbiljetten.

§ 2a — Tijdelijke voorzetting van het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel

Artikel 13a

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. tijdstip van transitie: het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt;

b. overgangsperiode: de periode vanaf het tijdstip van transitie tot 1 januari 2011.

§ 2a — Tijdelijke voorzetting van het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel

Artikel 13b

1 Voor zover een belastingplichtige of inhoudingsplichtige op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het tijdstip van transitie rechten en verplichtingen heeft, ingevolge:

a. de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943;

b. de Landsverordening op de loonbelasting 1976;

c. de Landsverordening op de winstbelasting 1940;

d. de Landsverordening omzetbelasting 1999;

e. de Landsverordening belasting op bedrijfsomzetten 1997;

f. de Overdrachtsbelastingverordening;

g. de Successiebelastingverordening 1908;

h. de Landsverordening spaarvermogensheffing;

i. de Zegelverordening 1908;

j. de Gedistilleerdverordening 1908;

k. de Landsverordening accijns op bier 1970;

l. de Landsverordening Accijns van Sigaretten 1970;

m. de Landsverordening van de eerste november 1932 tot heffing van een bijzonder invoerrecht op benzine;

n. de Regeling bijzonder invoerrecht op benzine Bovenwindse Eilanden;

o. de Landsverordening ter bevordering bedrijfsvestiging en hotelbouw;

p. de Landsverordening belastingfaciliteiten industriële ondernemingen;

q. de Landsverordening renovatie hotels;

r. de Landsverordening ter bevordering van grondontwikkeling;

s. de Landsverordening economische zones 2000;

t. de Landsverordening tarief van invoerrechten;

u. de Landsverordening In- en Uitvoer;

v. de Landsverordening uitvoerrecht op delfstoffen;

w. de op de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldende eilandsverordeningen regelende de heffing van opcenten op de aanslagen in de inkomstenbelasting en de winstbelasting;

x. de Registratieverordening 1908;

y. de Landsverordening op de scheepsregistratiebelasting 1987, of

z. de op de in de onderdelen a tot en met y bedoelde verordeningen gebaseerde regelingen,

blijven deze rechten en verplichtingen daarna doorlopen en blijven de onder a tot en met z genoemde verordeningen en regelingen daarna daarop ongewijzigd van toepassing.

2 Op de rechten en verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, blijven de Algemene Landsverordening Landsbelastingen, de Invorderingsverordening 1961, de Invorderingsverordening 1970, de Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen, de Landsverordening op de invordering van directe belastingen 1943, de Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen en de Algemene Verordening I. U. en D. 1908 en de daarop gebaseerde regelingen van toepassing.

3 Het eerste lid en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op, op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het tijdstip van transitie, bestaande rechtsverhoudingen.

4 In de overgangsperiode zijn de in het eerste lid, onderdelen a tot en met y, en het tweede lid bedoelde verordeningen als wet van toepassing. De op deze verordeningen gebaseerde regelingen bedoeld in onderdeel z zijn in de overgangsperiode als ministeriële regelingen van toepassing.

5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het vierde lid.

§ 2a — Tijdelijke voorzetting van het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel

Artikel 13c

1 Op het tijdstip van transitie gaan de taken en bevoegdheden van de Inspecteur der Belastingen en de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen over op de inspecteur van de rijksbelastingdienst, bedoeld in het derde lid.

2 Op het tijdstip van transitie gaan de taken en bevoegdheden van de Ontvanger over op de ontvanger van de rijksbelastingdienst, bedoeld in het derde lid.

3 De inspecteur of ontvanger van de rijksbelastingdienst is de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen.

4 De bevoegdheid van een inspecteur of ontvanger is niet bepaald naar de geografische indeling van het Rijk. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de hoofdlijnen van de inrichting van de rijksbelastingdienst en omtrent de functionaris, bedoeld in de vorige volzin, onder wie de belastingplichtige en de belastingschuldige ressorteren.

5 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

1°. Rijk: het land Nederland, zijnde Nederland en de openbare lichamen;

2°. Nederland: het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

§ 2a — Tijdelijke voorzetting van het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel

Artikel 13d

De bepalingen van de verordeningen, bedoeld in artikel 13b, eerste en tweede lid, blijven van toepassing op de in die verordeningen strafbaar gestelde feiten die zich hebben voorgedaan vóór het tijdstip van transitie.

§ 2a — Tijdelijke voorzetting van het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel

Artikel 13e

Op het tijdstip van transitie treedt de Raad van Beroep voor belastingzaken, bedoeld in paragraaf 2b, in de plaats van de Raad van Beroep voor belastingzaken, bedoeld in de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940.

§ 2a — Tijdelijke voorzetting van het Nederlands-Antilliaanse fiscale stelsel

Artikel 13f

1 In afwijking van artikel 37, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 58 van de in de overgangsperiode als wet van toepassing zijnde Algemene Landsverordening Landsbelasting, wordt in de overgangsperiode dubbele belasting voorkomen overeenkomstig de regels van de Belastingregeling voor het Koninkrijk met uitzondering van de regels, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, artikel 11, derde lid, onderdeel b, artikel 26, tweede lid, onderdeel c, artikel 30, onderdeel c, artikel 32, onderdeel c, van die regeling en met dien verstande dat voor:

a. «Aruba, Curaçao en Sint Maarten», «Curaçao, Sint Maarten», «Curaçao en Sint Maarten», «Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten» «Curaçao, onderscheidenlijk Aruba, onderscheidenlijk Sint Maarten» of «Aruba, Curaçao of Sint Maarten» telkens moet worden gelezen «de openbare lichamen»;

b. «Nederland» telkens moet worden gelezen «het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk».

2 De in het eerste lid bedoelde wijze van voorkoming van dubbele belasting, wordt gedurende de overgangsperiode aangemerkt als de Belastingregeling voor het land Nederland.

§ 2b — Raad van Beroep voor belastingzaken

Artikel 13g

1 De Raad van Beroep voor belastingzaken is gevestigd in de zittingsplaats van het Gerecht in Eerste Aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De Raad kan ook elders zitting houden.

2 De Raad van Beroep voor belastingzaken doet uitspraak op beroepschriften inzake belastingen.

§ 2b — Raad van Beroep voor belastingzaken

Artikel 13h

1 De Raad van Beroep voor belastingzaken bestaat uit een voorzitter en twee leden.

2 Voorzitter is de President van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba of zijn aangewezen plaatsvervanger.

3 De leden worden door de voorzitter gekozen uit de bezoldigde met rechtspraak belaste leden, waaruit het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is samengesteld, hetzij voor een bepaalde termijn, hetzij voor een bepaalde zaak.

§ 2b — Raad van Beroep voor belastingzaken

Artikel 13i

Als secretaris van de Raad van Beroep voor belastingzaken treedt op de griffier van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, die zo nodig wordt vervangen door de substituut-griffier van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

§ 2b — Raad van Beroep voor belastingzaken

Artikel 13j

1 De Raad van Beroep voor belastingzaken vergadert op plaats en tijd door de voorzitter te bepalen.

2 De vergaderingen zijn niet openbaar.

3 De Raad van Beroep voor belastingzaken beslist bij meerderheid van stemmen.

4 Zijn meer dan twee verschillende gevoelens uitgebracht, dan wordt besloten in de zin, die het meest overeenkomt met het gevoelen van de meerderheid.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13k

Wijzigt de Algemene douanewet.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13l

Wijzigt de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13m

Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13n

Wijzigt de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13o

Wijzigt de Invorderingswet 1990.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13p

Wijzigt de Successiewet 1956.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13q

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13r

Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13s

Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13t

Wijzigt de Wet op de kansspelbelasting.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13u

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13v

Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.

§ 2c — Aanpassingen van Nederlandse fiscale wetgeving

Artikel 13w

Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

§ 2d — Wijzigingen in overige wetgeving

Artikel 13x

Wijzigt de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

§ 2d — Wijzigingen in overige wetgeving

Artikel 13y

Wijzigt de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

§ 2d — Wijzigingen in overige wetgeving

Artikel 13z

Wijzigt de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

§ 3 — Slotbepalingen

Artikel 14

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor een goede uitvoering van deze wet nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in deze wet geregelde onderwerpen.

§ 3 — Slotbepalingen

Artikel 15

1 Handelen in strijd met artikel 6, tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

2 Opzettelijk handelen in strijd met artikel 6, tweede lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaren of geldboete van de vierde categorie.

3 Het in het eerste lid strafbaar gestelde feit is een overtreding. Het in het tweede lid strafbaar gestelde feit is een misdrijf.

§ 3 — Slotbepalingen

Artikel 16

1 Indien artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen op een eerder tijdstip in werking treedt dan deze wet, blijft tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de Nederlands-Antilliaanse gulden de munteenheid van de openbare lichamen.

2 Gedurende de in het eerste lid bedoelde periode hebben de in Nederlands-Antilliaanse guldens luidende bankbiljetten en munten die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen als wettig betaalmiddel in omloop waren, de hoedanigheid van wettig betaalmiddel in de openbare lichamen.

3 Verwijzingen naar de dollar, opgenomen in een wettelijk voorschrift, gelden gedurende de in het eerste lid bedoelde periode als verwijzingen naar Nederlands-Antilliaanse guldens, volgens de omrekenkoers USD 1,00 = NAf. 1,790. Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing.

§ 3 — Slotbepalingen

Artikel 17

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met uitzondering van de artikelen 13a tot en met 13z en 16, die in werking treden op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

§ 3 — Slotbepalingen

Artikel 18

Deze wet wordt aangehaald als: Wet geldstelsel BES.