wetzoeker

Artikel 496 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES

Executie tot afgifte van roerende zaken die geen registergoederen zijn

1 Betreft het een executie tot afgifte op vordering van een pandhouder als bedoeld in artikel 237, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, dan geeft de deurwaarder de zaak af aan de pandhouder of derde in wiens macht de zaak moet worden gebracht.

2 Is het pandrecht uit hoofde waarvan de afgifte geëist wordt, niet bij een authentieke akte gevestigd, dan kan de deurwaarder de zaak slechts onder zich nemen of in beslag nemen met verlof van de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de zaak zich bevindt. Het verlof wordt verzocht bij een verzoekschrift waarbij de pandakte wordt overgelegd. De rechter in eerste aanleg beslist na summier onderzoek. Het verlof en het verzoekschrift worden, met het in artikel 491, tweede lid, bedoelde proces-verbaal, aan de pandgever betekend. Tegen het verlof staat geen hogere voorziening open.

3 Is op de zaak reeds beslag gelegd, dan kan de deurwaarder haar met handhaving van het beslag niettemin onder zich nemen, mits de pandhouder tevens overeenkomstig artikel 461a de executie van de beslaglegger overneemt. Hij betekent de in de vierde volzin van het tweede lid bedoelde stukken onverwijld mede aan de deurwaarder die het beslag heeft gelegd.

Regeling
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES
Soort
wet-BES
Geldend vanaf
01-07-2015
BWB-id
BWBR0028496
Versie
2015-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl