wetzoeker

Crematiewet BES

Soort
wet-BES
Geldend vanaf
04-10-2011
Rechtsgebied
Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Ministerie
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
BWB-id
BWBR0028203
Versie
2011-10-04_0
SHA-256 bron
615499a11acac69d4dc23581ea6954188470bb0f8fad0859654bf01fcd4bec3a

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (36)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 1a
  3. Artikel 2
  4. Artikel 3
  5. Artikel 4
  6. Artikel 5
  7. Artikel 6
  8. Artikel 7
  9. Artikel 8
  10. Artikel 9
  11. Artikel 9a
  12. Artikel 10
  13. Artikel 11
  14. Artikel 12
  15. Artikel 13
  16. Artikel 14
  17. Artikel 15
  18. Artikel 16
  19. Artikel 17
  20. Artikel 18
  21. Artikel 19
  22. Artikel 20
  23. Artikel 21
  24. Artikel 22
  25. Artikel 23
  26. Artikel 24
  27. Artikel 25
  28. Artikel 26
  29. Artikel 26a
  30. Artikel 27
  31. Artikel 28
  32. Artikel 29
  33. Artikel 30
  34. Artikel 31
  35. Artikel 32
  36. Artikel 38

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 1a

1 Lijkbezorging kan, onverminderd het daaromtrent in de Begrafeniswet BES bepaalde, eveneens geschieden door crematie.

2 Crematie van het lijk van een overleden persoon of doodgeboren kind geschiedt in een crematorium.

Hoofdstuk I — Algemene bepalingen

Artikel 2

1 De houder van een crematorium houdt een register van alle daar verbrande lijken, met een nauwkeurige aanduiding van de bestemming, welke aan de as is gegeven en van degene op wiens aanwijzing zulks is geschied.

2 Het in het eerste lid bedoelde register is openbaar en wordt bij opheffing van het crematorium overgebracht naar de archieven van het openbaar lichaam waarin het was gelegen.

3 Het model van het register wordt bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen vastgesteld.

Hoofdstuk II — Crematoria

Artikel 3

Het is verboden een crematorium, dat niet op de voet van het bepaalde bij of krachtens deze wet is gevestigd of in werking is, alszodanig in werking te brengen of te houden.

Hoofdstuk II — Crematoria

Artikel 4

1 Een crematorium kan slechts worden gevestigd en in werking gehouden door een kerkgenootschap dan wel door een privaatrechtelijke rechtspersoon of een natuurlijk persoon.

2 Onder kerkgenootschap wordt mede verstaan een onderdeel daarvan of een rechtspersoon, in het leven geroepen door een of meer kerkgenootschappen of onderdelen daarvan.

Hoofdstuk II — Crematoria

Artikel 5

1 Het vestigen, uitbreiden of wijzigen van een crematorium behoeft vergunning van het bestuurscollege.

2 Onverminderd het bepaalde in artikel 8 kan het bestuurscollege aan de vergunning voorschiften verbinden of deze onder beperkingen verlenen.

3 Bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen kan voor het betrokken openbaar lichaam een maximum aantal te verlenen vergunningen voor het vestigen van een crematorium worden vastgesteld.

Hoofdstuk II — Crematoria

Artikel 6

Een besluit tot het verlenen van een vergunning voor het vestigen van een crematorium wordt niet genomen, dan nadat door het Bestuurscollege, volgens bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen te stellen regelen, van het verzoekschrift mededeling is gedaan in een of meer lokale nieuwsbladen of op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze en ter inzagelegging van het verzoekschrift met bijlagen ten bestuurskantore heeft plaatsgevonden en voorts aan een ieder tot het indienen van schriftelijke bezwaren bij het bestuurscollege gelegenheid is gegeven.

Hoofdstuk II — Crematoria

Artikel 7

Bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen worden de gevallen geregeld waarin een verleende vergunning door het bestuurscollege kan worden ingetrokken.

Hoofdstuk II — Crematoria

Artikel 8

Bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen kunnen regelen worden gesteld omtrent de inrichting van crematoria en omtrent hetgeen in de crematoria en op hun erven in acht moet worden genomen.

Hoofdstuk III — Identificatie, verlof tot crematie en termijn

Artikel 9

De identiteit van een lijk wordt in het crematorium waar het zal worden verbrand, vastgesteld op bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen te bepalen wijze.

Hoofdstuk III — Identificatie, verlof tot crematie en termijn

Artikel 9a

Zijn er omstandigheden, die een gewelddadige dood doen vermoeden, dan geschiedt de verbranding niet dan met toestemming van de Officier van Justitie, zo mogelijk na voorafgegane gerechtelijke schouwing.

Hoofdstuk III — Identificatie, verlof tot crematie en termijn

Artikel 10

Geen crematie van een lijk geschiedt zonder schriftelijk verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand, dat kosteloos en vrij van zegel wordt afgegeven en waarin de plaats van crematie wordt vermeld.

Hoofdstuk III — Identificatie, verlof tot crematie en termijn

Artikel 11

Verlof tot crematie wordt niet verleend, zolang niet is overgelegd een der schriftelijke verklaringen als bedoeld in de Wet verklaringen van overlijden BES, dan wel een verklaring van geen bezwaar tegen crematie, afgegeven door de officier van justitie. Indien de officier van justitie in de gevallen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet verklaringen van overlijden BES meent niet tot de afgifte van een verklaring van geen bezwaar tegen crematie te kunnen overgaan, stelt deze de op grond van artikel 4 van de Wet verklaringen van overlijden BES aangewezen geneeskundige en de regionale toetsingscommissie, bedoeld in artikel 19c van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, hiervan onverwijld op de hoogte.

Hoofdstuk III — Identificatie, verlof tot crematie en termijn

Artikel 12

1 De ingevolge artikel 11 overgelegde stukken worden bij de akte van overlijden gevoegd.

2 Bij gebreke van een akte worden de overgelegde stukken bewaard door de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waarin de crematie geschiedt.

Hoofdstuk III — Identificatie, verlof tot crematie en termijn

Artikel 13

1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand aangemerkt die van het openbaar lichaam, waarin betreffende overledene of doodgeborene ingevolge aangifte een akte in het register van overlijden is ingeschreven.

2 Bij gebreke van een akte is bevoegd de ambtenaar van de burgerlijke stand van het openbaar lichaam waarin crematie zal gescheiden.

Hoofdstuk III — Identificatie, verlof tot crematie en termijn

Artikel 14

1 Crematie geschiedt niet eerder dan 36 uren na het overlijden of de levenloze geboorte en uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden of de levenloze geboorte.

2 Na de door het bestuurscollege aangewezen geneeskundige te hebben gehoord kan de gezaghebber van het openbaar lichaam waar het lijk zich bevindt, voor de crematie daarvan een andere termijn stellen.

Hoofdstuk III — Identificatie, verlof tot crematie en termijn

Artikel 15

Ten aanzien van lijken, die binnen een openbaar lichaam ter crematie worden binnengebracht, kan bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen van het bepaalde in dit hoofdstuk worden afgeweken.

Hoofdstuk III — Identificatie, verlof tot crematie en termijn

Artikel 16

1 Overblijfselen van lijken en kisten, die bij roering van een graf of grafkelder te voorschijn mochten komen, mogen worden verbrand met schriftelijk verlof van de officier van justitie wanneer het verzoek daartoe gedaan wordt door degene die het in artikel 4 van de Begrafeniswet BES bedoelde verlof heeft aangevraagd, dan wel degene, die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden.

2 Ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde crematie zijn de bepalingen van dit hoofdstuk niet van toepassing.

Hoofdstuk IV — Bestemming en bewaring van as

Artikel 17

1 Na de crematie wordt de as geborgen in een bus, die hermetisch gesloten wordt en waarop de naam, de voornamen en de datum van overlijden c.q. levenloze geboorte van de overledene of doodgeborene alsmede een registratienummer in onuitwisbare letters en cijfers staan vermeld.

2 Binnen achttien jaren na het plaatsen van het in het eerste lid bedoelde opschrift mag dit niet van een ongeopende asbus worden verwijderd of daarop onleesbaar worden gemaakt.

Hoofdstuk IV — Bestemming en bewaring van as

Artikel 18

1 Een maand nadat de as in de bus is geborgen kan zij worden verstrooid.

2 Mits voldaan aan het in artikel 17, eerste lid, bepaalde, is de invoer van de as van in het buitenland of in het Europese deel van Nederland verbrande lijken naar een openbaar lichaam toegelaten. Bij aankomst dient te worden overgelegd een desbetreffende verklaring van overlijden of van levenloze geboorte of een daarmede overeenstemmend document waaruit de identiteit van de gecremeerde persoon of het doodgeboren kind blijkt.

3 Uit het buitenland, een ander openbaar lichaam of het Europese deel van Nederland afkomstige as kan niet eerder dan een maand na de invoer worden verstrooid.

4 Een asbus kan een maand nadat de as in de bus is geborgen ter bijzetting of verstrooiing van haar inhoud, naar een ander openbaar lichaam, naar het Europese deel van Nederland of naar het buitenland worden gezonden.

5 Op verzoek van degene die het in artikel 10 bedoelde verlof heeft aangevraagd dan wel degene, die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden, kan de officier van justitie in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de in de voorgaande leden genoemde termijnen.

Hoofdstuk IV — Bestemming en bewaring van as

Artikel 19

1 Een asbus kan worden bijgezet:

a. in een in het bijzonder daarvoor bestemd gedeelte van het crematorium, of

b. in of op een graf of grafkelder of op een afzonderlijke plaats op een begraafplaats, of

c. in een buiten een crematorium of begraafplaats gelegen bewaarplaats.

2 Een maand nadat de as in de bus is geborgen kan deze worden overgebracht naar de woning van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of andere levensgezel dan wel van een meerderjarige erfgenaam of anders van degene die de zorg voor de asbus op zich neemt.

Hoofdstuk IV — Bestemming en bewaring van as

Artikel 20

1 De bijzetting van een asbus in of op een graf of grafkelder waarop een uitsluitend recht berust, kan slechts geschieden met toestemming van de rechthebbende op het graf of de grafkelder en, voorzover het bijzetting in een graf of grafkelder betreft, tevens na daartoe bekomen verlof van de gezaghebber, de door het bestuurscollege aangewezen geneeskundige gehoord.

2 Het verbod van artikel 31, eerste alinea, van de Begrafeniswet BES is niet van toepassing op de bijzetting van een asbus in een graf of grafkelder.

Hoofdstuk IV — Bestemming en bewaring van as

Artikel 21

1 Voor elke begraafplaats wordt, hetzij door de zorg van de eigenaar van een bijzondere begraafplaats, hetzij door of vanwege de ambtenaren van de burgerlijke stand een register van alle daar bijgezette asbussen gehouden, met een nauwkeurige aanduiding van de plaats waar zij bijgezet zijn.

3 Ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde register zijn de leden 2 en 3 van artikel 2 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk IV — Bestemming en bewaring van as

Artikel 22

1 Een bewaarplaats als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder c wordt niet in gebruik genomen dan met vergunning van het bestuurscollege.

2 De houder van een bewaarplaats houdt een register van alle daar bijgezette asbussen, met een nauwkeurige aanduiding van de plaats waar zij bijgezet zijn.

3 Ten aanzien van het in het tweede lid bedoelde register zijn de leden 2 en 3 van artikel 2 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk IV — Bestemming en bewaring van as

Artikel 23

1 Een asbus welke is bijgezet kan met het oog op een nieuwe bestemming worden verwijderd na daartoe bekomen verlof van de gezaghebber, de door het bestuurscollege aangewezen geneeskundige gehoord.

2 Is de asbus in of op een graf of grafkelder bijgezet, dan kan, indien het een graf of grafkelder betreft waarop een uitsluitend recht berust, verwijdering van de asbus slechts geschieden met toestemming van de rechthebbende.

3 De voorgaande leden alsmede het verbod van artikel 31, eerste alinea, van de Begrafeniswet BES zijn niet van toepassing op de verwijdering van een asbus ingevolge rechterlijk bevel met het oog op een strafrechtelijk onderzoek.

Hoofdstuk IV — Bestemming en bewaring van as

Artikel 24

1 Het tweede lid van artikel 23 geldt niet voor het ruimen van asbussen op last van de houder van de plaats van bijzetting.

2 Dit ruimen vindt niet plaats dan na verloop van achttien jaren, nadat de as in de bus is geborgen en slechts met toestemming van de rechthebbende op de ruimte waar de asbus is bijgezet.

3 De ruiming geschiedt door verstrooiing van de as.

Hoofdstuk IV — Bestemming en bewaring van as

Artikel 25

Omtrent de bestemming en bewaring van as kunnen bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen nadere regelen worden gesteld.

Hoofdstuk V — Toezicht en strafbepalingen

Artikel 26

Crematoria staan onder toezicht van het bestuurscollege van het openbaar lichaam waarin zij zijn gelegen.

Hoofdstuk V — Toezicht en strafbepalingen

Artikel 26a

1 Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de door het bestuurscollege aangewezen ambtenaren en andere personen van de gezondheidsdienst van het openbaar lichaam. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

2 De in het eerste lid bedoelde personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:

a. alle inlichtingen te vragen;

b. inzage te verlangen van alle registers, boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;

c. goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen en deze daartoe tijdelijk mee te nemen;

d. alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen.

3 Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.

4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de taakuitoefening van de in het eerste lid bedoelde personen.

5 Een ieder is verplicht aan de in het eerste lid bedoelde personen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.

Hoofdstuk V — Toezicht en strafbepalingen

Artikel 27

Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

1. het verbranden van een lijk in strijd met of anders dan met inachtneming van hetgeen is bepaald bij de artikelen 1, tweede lid, en 10.

2. het geven van verlof tot crematie in strijd met artikel 11.

3. het verbranden van een lijk voordat dit ingevolge het bij artikel 14, eerste lid, of krachtens artikel 14, tweede lid is toegestaan.

4. overtreding van artikel 17 alsmede het openen van een asbus anders bij toepassing van de artikelen 18 en 24.

5. het verstrooien van as of het verzenden, verwijderen, bewaren of vervoeren van een asbus in strijd met of anders dan met in achtneming van hetgeen is bepaald bij of krachtens de artikelen 18, 19, tweede lid, en 23.

Hoofdstuk V — Toezicht en strafbepalingen

Artikel 28

Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:

1. overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, 3, 5, 9, 21 en 22, tweede en derde lid.

2. het bijzetten van een asbus in strijd met of anders dan met inachtneming van hetgeen is bepaald bij of krachtens de artikelen 19, eerste lid, 20, eerste lid, 22, eerste lid, en 25.

3. overtreding van het bepaalde krachtens de artikelen 8 en 25, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van het onderhavige artikel aangeduid.

Hoofdstuk V — Toezicht en strafbepalingen

Artikel 29

De bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Hoofdstuk V — Toezicht en strafbepalingen

Artikel 30

[vervallen]

Hoofdstuk V — Toezicht en strafbepalingen

Artikel 31

1 Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES bedoelde ambtenaren, belast de ambtenaren en andere personen van de gezondheidsdienst van het openbaar lichaam, door het betrokken bestuurscollege daartoe aangewezen. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen personen dienen te voldoen.

Hoofdstuk V — Toezicht en strafbepalingen

Artikel 32

Voor zover in deze wet niet anders is bepaald, zijn de bepalingen van de Begrafeniswet BES voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VII — Slotbepaling

Artikel 38

Deze wet wordt aangehaald als: Crematiewet BES.