wetzoeker

Regeling diervoeders 2012

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 20 augustus 2010, nr. 145464, houdende voorschriften inzake diervoeders (Regeling diervoeders 2010)

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2026
Rechtsgebied
Agrarisch recht, Milieurecht, Ruimtelijke ordening en milieu
Ministerie
Economische Zaken
BWB-id
BWBR0028123
Versie
2026-01-01_0
SHA-256 bron
6da7a680205d3916d01095a13abb26193ff2f71b1e34716c5f78ec57ef8cd91c

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (90)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 6a
  8. Artikel 7
  9. Artikel 8
  10. Artikel 9
  11. Artikel 10
  12. Artikel 11
  13. Artikel 12
  14. Artikel 13
  15. Artikel 13a
  16. Artikel 14
  17. Artikel 15
  18. Artikel 16
  19. Artikel 17
  20. Artikel 18
  21. Artikel 19
  22. Artikel 20
  23. Artikel 21
  24. Artikel 22
  25. Artikel 23
  26. Artikel 24
  27. Artikel 25
  28. Artikel 26
  29. Artikel 27
  30. Artikel 28
  31. Artikel 28a
  32. Artikel 28b
  33. Artikel 28c
  34. Artikel 28d
  35. Artikel 28e
  36. Artikel 28f
  37. Artikel 29
  38. Artikel 30
  39. Artikel 31
  40. Artikel 32
  41. Artikel 33
  42. Artikel 34
  43. Artikel 35
  44. Artikel 36
  45. Artikel 37
  46. Artikel 38
  47. Artikel 38a
  48. Artikel 39
  49. Artikel 40
  50. Artikel 40a
  51. Artikel 41
  52. Artikel 42
  53. Artikel 43
  54. Artikel 44
  55. Artikel 45
  56. Artikel 46
  57. Artikel 47
  58. Artikel 48
  59. Artikel 49
  60. Artikel 50
  61. Artikel 51
  62. Artikel 52
  63. Artikel 53
  64. Artikel 54
  65. Artikel 55
  66. Artikel 56
  67. Artikel 56a
  68. Artikel 57
  69. Artikel 57a
  70. Artikel 58
  71. Artikel 59
  72. Artikel 60
  73. Artikel 60a
  74. Artikel 61
  75. Artikel 62
  76. Artikel 63
  77. Artikel 63a
  78. Artikel 64
  79. Artikel 65
  80. Artikel 65a
  81. Artikel 65b
  82. Artikel 66
  83. Artikel 67
  84. Artikel 68
  85. Artikel 69
  86. Artikel 70
  87. Artikel 71
  88. Artikel 72
  89. Bijlage 1 — behorend bij artikel 56
  90. Analysemethoden in flexibele scope

Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1

1 In deze regeling wordt verstaan onder:

– basismonster: basismonster als bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 152/2009;

– besluit: Besluit diervoeders 2012;

– derde land: land dat geen lid is van de Europese Economische Ruimte;

– eindmonster: eindmonster als bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 152/2009;

– grootouderdier: vermeerderingsdier dat wordt gehouden voor de productie van andere vermeerderingsdieren;

– kalkoen: dier van de soort Meleagris gallopavo;

– kip: dier van de soort Gallus gallus;

– leghen: dier bestemd voor de productie van consumptie-eieren;

– lidstaat: land dat lid is van de Europese Economische Ruimte;

– minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;

– pluimvee: hoenderachtigen, eenden of ganzen;

– vermeerderingsdier: vogel bestemd voor de productie van broedeieren;

– verzamelmonster: verzamelmonster als bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, bij verordening (EG) nr. 152/2009;

– vleeskalkoen: kalkoen van 72 uur en ouder die worden opgefokt of worden gehouden voor de productie van vlees;

– vleeskuiken: kip van 72 uur en ouder die worden opgefokt of worden gehouden voor de productie van vlees;

– werkdag: dag, niet zijnde een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag.

2 Deze regeling berust op de artikelen 6.2, eerste lid, 6.4, 7.1 en 9.1 van de Wet dieren en de artikelen 2.1, 2.3 en 2.4 van het Besluit diervoeders 2012.

Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen

Artikel 2

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. verordening (EG) nr. 1069/2009: verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europese Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300);

b. verordening (EG) nr. 396/2005: verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PbEU 2005, L 70);

c. verordening (EU) nr. 37/2010: verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorpsrong (PbEU L 15);

d. verordening (EU) nr. 2017/625: verordening (EU) nr. 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012. (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (Pb EU L 95);

e. uitvoeringsverordening (EU) 2019/1793: uitvoeringsverordening (EU) 2019/1793 van de Commissie van 22 oktober 2019 betreffende de tijdelijke verhoging van de officiële controles en noodmaatregelen met betrekking tot de binnenkomst in de Unie van bepaalde goederen uit bepaalde derde landen tot uitvoering van de Verordeningen (EU) 2017/625 en (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 669/2009), (EU) nr. 884/2014, (EU) 2015/175, (EU) 2017/186 en (EU) 2018/1660 van de Commissie (PbEU L 11);

f. verordening (EG) nr. 152/2009: verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie van 27 januari 2009 tot vaststelling van de bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (PbEU 2009, L 54);

g. verordening (EU) nr. 2018/848: verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150).

Hoofdstuk 2 — Ongewenste stoffen in diervoeders, verboden voedermiddelen en onder beperkingen toegestane middelen en stoffen in biologische diervoeders

Artikel 3

1 Het is eenieder verboden met diervoeders als bedoeld in artikel 3, onder 4, van verordening (EG) nr. 178/2002 een handeling als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet, waaronder handelingen als bedoeld in artikel 2.17 van de wet, te verrichten, indien dat diervoeder:

a. een stof bevat met een gehalte dat een maximumgehalte overschrijdt dat voor eet- of drinkwaren is opgenomen in bijlage II bij de Warenwetregeling residuen van bestrijdingsmiddelen, met betrekking tot eet- of drinkwaren die tevens diervoeder zijn, met uitzondering van een stof waarvoor op grond van artikel 3.2 van het besluit een maximumgehalte geldt;

b. van zoogdieren afkomstige eiwitten als bedoeld in artikel 7 en bijlage IV van verordening (EG) nr. 999/2001 bevat, tenzij deze eiwitten overeenkomstig die verordening in het diervoeder zijn verwerkt;

c. niet voldoet aan de artikelen 18, eerste lid, 19 en 20 van verordening (EG) nr. 396/2005;

d. niet voldoet aan een gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als bedoeld in artikel 11, van verordening (EG) 1069/2009;

e. een stof bevat met een gehalte dat een maximumwaarde opgenomen in de bijlage, tabel 1, bij verordening (EU) nr. 37/2010 overschrijdt;

f. een stof bevat die is opgenomen in de bijlage, tabel 2, bij verordening (EU) nr. 37/2010;

g. een gehalte aan toevoegingsmiddelen als bedoeld in artikel 8 van verordening (EG) nr. 767/2009 bevat;

h. een middel bevat als bedoeld in bijlage III, hoofdstuk 1, van verordening (EG) nr. 767/2009;

i. een middel bevat dat is verwerkt of wordt toegepast in strijd met een beperking als bedoeld in bijlage III, hoofdstuk 2, van verordening (EG) nr. 767/2009;

j. een gehalte bevat dat afwijkt van de toegestane tolerantie, bedoeld in bijlage IV van verordening (EG) nr. 767/2009.

2 Op een gehalte, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is bijlage I bij de Warenwetregeling residuen van bestrijdingsmiddelen van overeenkomstige toepassing.

3 Water dat wordt gebruikt voor het bereiden, bewerken of verwerken van een diervoeder is van voldoende kwaliteit.

4 Indien een handeling met een diervoeder als bedoeld in het eerste lid, aanhef, is toegestaan krachtens een EU-verordening als bedoeld in artikel 1.1 van het besluit of artikel 2 door een besluit van een bevoegde instantie en aan dat besluit voorschriften zijn verbonden, worden deze voorschriften nageleefd door degene op wie dat besluit betrekking heeft.

Hoofdstuk 2 — Ongewenste stoffen in diervoeders, verboden voedermiddelen en onder beperkingen toegestane middelen en stoffen in biologische diervoeders

Artikel 4

Vervallen

Hoofdstuk 2 — Ongewenste stoffen in diervoeders, verboden voedermiddelen en onder beperkingen toegestane middelen en stoffen in biologische diervoeders

Artikel 5

Overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 en indien naar zijn oordeel aan de orde, geeft de minister de bevestiging, bedoeld in bijlage II, deel II, punten 1.9.3.1, onderdeel c, en 1.9.4.2, onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2018/848 dat biologische eiwithoudende diervoeders voor varkens en pluimvee niet in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn.

Hoofdstuk 2 — Ongewenste stoffen in diervoeders, verboden voedermiddelen en onder beperkingen toegestane middelen en stoffen in biologische diervoeders

Artikel 6

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 1a — Algemene regels ter uitvoering van communautaire verordeningen

Artikel 6a

1 Onverminderd artikel 6.3, tweede lid, van de wet is de minister bevoegd uitvoering te geven aan een voorschrift van een EU-verordening als bedoeld in artikel 2.1 van het besluit dat een tot de overheid behorend orgaan of een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft, de keuze laat of als ontvanger van informatie aanwijst, indien die uitvoering niet bestaat uit het nemen van een besluit.

2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien in deze regeling anders is bepaald.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 1b — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 999/2001

Artikel 7

1 Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:

a. artikel 7, eerste en tweede lid, van verordening (EG) nr. 999/2001;

b. de hoofdstukken I, II, III, IV en V, onderdelen B, C, D en E van bijlage IV bij verordening (EG) nr. 999/2001;

c. bijlage VII, hoofdstuk B, onderdeel 2.2.2, onder a, van verordening (EG) nr. 999/2001.

2 Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, zijn niet van toepassing ten aanzien van activiteiten, genoemd in bijlage IV bij verordening (EG) nr. 999/2001, mits is voldaan aan de in die bijlage gestelde voorwaarden.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 1b — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 999/2001

Artikel 8

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 1b — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 999/2001

Artikel 9

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 1b — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 999/2001

Artikel 10

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 1b — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 999/2001

Artikel 11

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 1b — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 999/2001

Artikel 12

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 2 — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 183/2005

Artikel 13

Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 4, 5, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 6, eerste en derde lid, 7, eerste lid, 9, eerste en tweede lid, 10, 11, 23, eerste lid, en 24 van de verordening (EG) nr. 183/2005.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 2 — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 183/2005

Artikel 13a

Als een levering van kleine hoeveelheden aan lokale veehouderijen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EG) nr. 183/2005 wordt aangemerkt een levering in Nederland binnen een jaarlijks totaal van vijf ton geleverde diervoeder.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 2 — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 183/2005

Artikel 14

Het is eenieder verboden met diervoeders die vallen binnen de werkingssfeer, bedoeld in artikel 2 van verordening (EG) nr. 183/2005, een diervoederbedrijf te exploiteren zonder erkenning of registratie als bedoeld in artikel 9, respectievelijk 10, van verordening (EG) nr. 183/2005.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 2 — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 183/2005

Artikel 15

Indien een inrichting een activiteit als bedoeld in artikel 10, onder 1, van verordening (EG) nr. 183/2005 verricht, is een erkenning als bedoeld in artikel 14 vereist.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 2 — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 183/2005

Artikel 16

Indien aan een bedrijf een erkenning voor een activiteit, als bedoeld in artikel 15 is verleend, dan is voor diezelfde activiteit geen registratie, bedoeld in artikel 14, meer nodig.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 2 — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 183/2005

Artikel 17

Een besluit omtrent erkenning, dan wel wijziging daarvan, wordt genomen binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 2 — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 183/2005

Artikel 18

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 2 — Regels ter uitvoering van verordening (EG) nr. 183/2005

Artikel 19

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 3 — Regels ter uitvoering van overige Europese verordeningen

Artikel 20

Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 11, 12, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18 en 20 van verordening (EG) nr. 178/2002.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 3 — Regels ter uitvoering van overige Europese verordeningen

Artikel 21

Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 16, eerste, tweede en zesde lid, 20, eerste lid, 21, eerste en derde lid, en 25 van verordening (EG) nr. 1829/2003.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 3 — Regels ter uitvoering van overige Europese verordeningen

Artikel 22

Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikel 4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 5, eerste en tweede lid, van verordening (EG) nr. 1830/2003.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 3 — Regels ter uitvoering van overige Europese verordeningen

Artikel 23

Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 3, eerste tot en met vierde lid, en 16 van verordening (EG) nr. 1831/2003.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 3 — Regels ter uitvoering van overige Europese verordeningen

Artikel 24

Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn de artikel 4, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste lid, 8, 9, 11, 13, 14, eerste en tweede lid, 15, 16, 17, eerste en tweede lid, 18, 19, 20, eerste lid, 22, eerste lid, 23, 24, vijfde lid, tweede volzin, en zesde lid, en 25, vierde lid, van verordening (EG) nr. 767/2009.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 3 — Regels ter uitvoering van overige Europese verordeningen

Artikel 25

Vervallen

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 4 — De aanvraag tot erkenning, registratie of goedkeuring, vereist op grond van Europese verordeningen

Artikel 26

1 De volgende aanvragen worden bij de minister ingediend:

a. een aanvraag tot erkenning of registratie als bedoeld in artikel 14, dan wel tot wijziging daarvan;

b. een aanvraag tot erkenning als bedoeld in artikel 15, dan wel tot wijziging daarvan.

2 Een aanvraag wordt in behandeling genomen nadat de op grond van de Regeling NVWA-tarieven verschuldigde retributie is betaald.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 4 — De aanvraag tot erkenning, registratie of goedkeuring, vereist op grond van Europese verordeningen

Artikel 27

De houder van een erkenning, registratie of goedkeuring stelt de minister zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand schriftelijk in kennis van wijziging van de volgende gegevens:

a. naam, adres of zetel van de houder;

b. naam, adres of zetel van een bedrijf waarop de erkenning, registratie of goedkeuring betrekking heeft;

c. stopzetting van de activiteit waarop de erkenning, registratie of goedkeuring betrekking heeft;

d. opheffing van zijn onderneming.

Hoofdstuk 3 — Regels ter uitvoering van communautaire verordeningen › § 4 — De aanvraag tot erkenning, registratie of goedkeuring, vereist op grond van Europese verordeningen

Artikel 28

In een openbaar register, dat ter inzage ligt bij de minister, worden de volgende gegevens vastgelegd:

a. naam, adres en zetel van de houder van een erkenning of registratie;

b. naam, adres en zetel van een bedrijf waarop een erkenning of registratie betrekking heeft;

c. de bij de erkenning of registratie behorende erkennings-, onderscheidenlijk registratienummers.

Hoofdstuk 3a — Monitoring zoönotische salmonella

Artikel 28a

1 De producent van mengvoeders voor pluimvee bemonstert voedermiddelen bij de aanvoer per productielocatie, indien de jaarproductie van die locatie:

a. ten hoogste 4.000 ton bedraagt: ten minste eenmaal per kwartaal;

b. ten hoogste 8.000 ton bedraagt: ten minste tweemaal per kwartaal;

c. ten hoogste 10.000 ton bedraagt: ten minste driemaal per kwartaal;

d. ten hoogste 20.000 ton bedraagt: ten minste vijfmaal per kwartaal;

e. ten hoogste 30.000 ton bedraagt: ten minste achtmaal per kwartaal;

f. ten hoogste 40.000 ton bedraagt: ten minste tienmaal per kwartaal;

g. meer dan 40.000 ton bedraagt: ten minste 13 maal per kwartaal.

2 Een monster als bedoeld in het eerste lid weegt ten minste 60 gram.

Hoofdstuk 3a — Monitoring zoönotische salmonella

Artikel 28b

1 De producent van mengvoeders voor pluimvee bemonstert van de af te leveren partijen mengvoer van 24 ton die bestemd zijn voor:

a. vermeerderingsdieren die worden gehouden als grootouderdier of overgrootouderdier: ten minste 50%;

b. kippen of kalkoenen die worden opgefokt tot andere vermeerderingsdieren dan bedoeld in onderdeel a: ten minste 20%;

c. kippen of kalkoenen die worden gehouden als vermeerderingsdier: ten minste 10%;

d. vleeskuikens, leghennen en dieren die worden opgefokt tot leghen: ten minste 5%;

e. vleeskalkoenen: ten minste 1 op de 30.

2 De leverancier van voedermiddelen die aan pluimveehouderijen worden geleverd, bemonstert van de af te leveren partijen voedermiddelen van 24 ton ten minste 1 op de 30 partijen.

3 De monsters, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden genomen uit de productstroom.

4 In aanvulling op het eerste en tweede lid bemonstert de producent van mengvoeders en de leverancier van voedermiddelen voor pluimvee ten minste elke zes maanden op kritische punten in het productieproces of het logistieke proces, bedoeld in artikel 6 van verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne (PbEU 2005, L 35).

5 Een monster als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid weegt ten minste 60 gram.

Hoofdstuk 3a — Monitoring zoönotische salmonella

Artikel 28c

1 De producent van mengvoeders die bestemd zijn voor herkauwende dieren, eenhoevigen of varkens neemt uit de productstroom per productielocatie waarvan de jaarproductie:

a. ten hoogste 4.000 ton bedraagt: ten minste twee monsters per kwartaal;

b. ten hoogste 6.000 ton bedraagt: ten minste drie monsters per kwartaal;

c. ten hoogste 8.000 ton bedraagt: ten minste vier monsters per kwartaal;

d. ten hoogste 10.000 ton bedraagt: ten minste vijf monsters per kwartaal;

e. ten hoogste 20.000 ton bedraagt: ten minste tien monsters per kwartaal;

f. ten hoogste 30.000 ton bedraagt: ten minste 15 monsters per kwartaal;

g. ten hoogste 40.000 ton bedraagt: ten minste 20 monsters per kwartaal;

h. meer dan 40.000 ton bedraagt: ten minste 25 monsters per kwartaal.

2 Ten minste 50% van de monsters, bedoeld in het eerste lid, worden genomen van mengvoeders.

3 Een monster, bedoeld in het eerste lid, weegt ten minste 60 gram.

Hoofdstuk 3a — Monitoring zoönotische salmonella

Artikel 28d

1 De producent en de leverancier van voedermiddelen die bestemd zijn voor herkauwende dieren, eenhoevigen of varkens nemen per product per toeleverancier een monster van ten minste 60 gram per kwartaal.

2 De producent en de leverancier kunnen ten aanzien van een partij voedermiddelen schriftelijk overeenkomen dat de bemonstering, bedoeld in het eerste lid, door de producent of de leverancier plaatsvindt.

3 Bij seizoensgebonden of incidentele producten start de bemonstering, bedoeld in het eerste lid, bij de eerste lading.

4 Het eerste lid is niet van toepassing, indien:

a. de zuurtegraad van de voedermiddelen ten hoogste 4,5 pH bedraagt bij spontane melkzuurfermentatie;

b. de zuurtegraad van de voedermiddelen ten hoogste 4 pH bedraagt, indien organische zuren zijn toegevoegd;

c. de zuurtegraad van de voedermiddelen ten hoogste 3,5 pH bedraagt, indien anorganische zuren zijn toegevoegd; of

d. de producent of de leverancier aantoont dat de zuurtegraad voldoende is om salmonella in de voedermiddelen te inactiveren.

Hoofdstuk 3a — Monitoring zoönotische salmonella

Artikel 28e

1 De producent en de leverancier, bedoeld in dit hoofdstuk, laten de monsters onderzoeken in een laboratorium.

2 De producent en de leverancier laten monsters waarin, na onderzoek als bedoeld in het eerste lid, de aanwezigheid van Salmonella is geconstateerd nader onderzoeken op de volgende serotypes:

a. Salmonella enteritidis;

b. Salmonella typhimurium;

c. Salmonella hadar;

d. Salmonella infantis;

e. Salmonella Virchow; en

f. Salmonella java.

3 De serotypering van de monsters, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats in een laboratorium dat daarvoor op grond van artikel 3 van de Regeling erkenning veterinaire laboratoria is erkend.

Hoofdstuk 3a — Monitoring zoönotische salmonella

Artikel 28f

1 De producent en de leverancier bewaren de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 28e, gedurende een periode van twee jaar.

2 Geconstateerde aanwezigheid van de serotypes, bedoeld in artikel 28e, tweede lid, wordt onverwijld door de producent of de leverancier aan de minister en de betrokken pluimveehouder doorgegeven.

Hoofdstuk 4 — Regels over de in- en uitvoer

Artikel 29

Het is verboden toevoegingsmiddelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EG) nr. 1831/2003, voormengsels als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EG) nr. 1831/2003, en diervoeders als bedoeld in artikel 3, onder 4, van verordening (EG) nr. 178/2002, waaronder de substanties, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen b, c, d, en g, van verordening (EG) nr. 1831/2003, in of buiten Nederland te brengen in strijd met het bepaalde in:

a. artikel 7, bijlage IV en bijlage IX, hoofdstuk D, afdeling B, subonderdeel c, van verordening (EG) nr. 999/2001;

b. de artikelen 11, 12, 15, eerste lid, 16, 17, eerste lid, 18 en 20 van verordening (EG) nr. 178/2002;

c. hoofdstuk III van verordening (EG) nr. 1829/2003;

d. de artikelen 4 en 5 van verordening (EG) nr. 1830/2003;

e. de artikelen 3, 10, 16, bijlage III van verordening (EG) nr. 1831/2003;

f. artikel 24 van verordening (EG) nr. 183/2005; en

g. elke andere EU-rechtshandeling, die bepaalt dat de controles op het voldoen aan de daarin neergelegde voorschriften voor substanties als bedoeld in de aanhef plaatsvinden volgens de bepalingen van verordening (EU) nr. 2017/625;

h. de artikelen 9, 10 en 11 van uitvoeringsverordening (EU) 2019/1793.

Hoofdstuk 4 — Regels over de in- en uitvoer

Artikel 30

1 Toevoegingsmiddelen, voormengsels en diervoeders die afkomstig zijn uit een derde land, gaan vergezeld van:

a. documenten waaruit de aard, oorsprong en geografische bestemming van de producten blijkt;

b. een document waarin de aard en de uitkomst van uitgevoerde controles zijn aangegeven en in voorkomend geval de resultaten van laboratoriumonderzoek, ingeval de producten voor het eerst in een lidstaat, niet zijnde Nederland, op het douanegebied van de Europese Economische Ruimte zijn binnengebracht.

2 In de documenten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verwezen naar het document, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ingeval het laatstgenoemde onderdeel van toepassing is.

3 Het document, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vergezelt de toevoegingsmiddelen, voormengsels of diervoeders waarop het betrekking heeft tot het tijdstip waarop deze producten in het vrije verkeer worden gebracht.

Hoofdstuk 4 — Regels over de in- en uitvoer

Artikel 31

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Regels over de in- en uitvoer

Artikel 32

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Regels over de in- en uitvoer

Artikel 33

Vervallen

Hoofdstuk 4 — Regels over de in- en uitvoer

Artikel 34

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 35

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 36

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 37

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 38

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 38a

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 39

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 40

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 40a

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 41

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 42

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 43

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 44

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 45

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 46

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 47

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 48

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 49

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 50

Vervallen

Hoofdstuk 5 — Regels over retributies

Artikel 51

Vervallen

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 1 — Aanwijzing toevoegingsmiddelen en andere producten als bedoeld in artikel 7 van de wet

Artikel 52

Vervallen

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 2 — Aanwijzing toezichthouders en laboratoria

Artikel 53

Vervallen

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 2 — Aanwijzing toezichthouders en laboratoria

Artikel 54

Vervallen

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 2 — Aanwijzing toezichthouders en laboratoria

Artikel 55

Als instellingen als bedoeld in artikel 10.2 van de wet voor het onderzoek van de door met controle of toezicht belaste ambtenaren genomen monsters worden aangewezen:

a. RIKILT, instituut voor voedselveiligheid, onderdeel van Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek;

b. Laboratorium van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;

c. het Belastingdienst/Douane West/Douane Laboratorium te Amsterdam;

d. LabCo B.V. te Europoort;

e. TNO-Voeding te Zeist.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 2 — Aanwijzing toezichthouders en laboratoria

Artikel 56

Als bemonsterings- en analysemethoden als bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, van verordening (EU) nr. 2017/625 worden aangemerkt de methoden, genoemd in:

a. bijlage 1 bij deze regeling, en

b. bijlage 2 bij deze regeling, met dien verstande dat deze worden toegepast binnen de toepassingsgebieden en in de titels genoemde onderwerpen in genoemde bijlage.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 2 — Aanwijzing toezichthouders en laboratoria

Artikel 56a

De Minister is bevoegd tot aanwijzing van nationale referentielaboratoria als bedoeld in artikel 100, eerste lid, eerste zin, van verordening (EU) 2017/625, ten aanzien van onderwerpen die diervoeders betreffen.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 3 — Aanwijzing schadelijke stoffen

Artikel 57

1 Het is een houder van een dier verboden een diervoeder te vervoederen dat:

a. een stof bevat in strijd met een voorschrift als bedoeld in artikel 3;

b. onveilig is of onveilig wordt geacht als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van verordening (EG) nr. 178/2002, onverminderd artikel 20;

c. in strijd met de algemene verplichting, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van verordening (EG) nr. 183/2005, verontreinigingen bevat, onverminderd artikel 13;

d. in strijd met de goede praktijken voor het voederen van dieren, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, en bijlage III, van verordening (EG) nr. 183/2005, wordt vervoederd aan voedselproducerende dieren, onverminderd artikel 13;

e. in strijd met etiketteringsvoorschriften als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EG) nr. 1831/2003, onverminderd artikel 23.

2 Indien het vervoederen van een diervoeder als bedoeld in het eerste lid, aanhef, is toegestaan krachtens een EU-verordening als bedoeld in artikel 1.1 van het besluit of artikel 2 door een besluit van een bevoegde instantie en aan dat besluit voorschriften zijn verbonden, worden deze voorschriften nageleefd door degene op wie dat besluit betrekking heeft.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 3 — Aanwijzing schadelijke stoffen

Artikel 57a

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stcrt. 2017/65622.

1 Het verbod van artikel 2.17, eerste lid, van de Wet dieren is van overeenkomstige toepassing op de houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking, voor het ontvangen van mengvoeder voor runderen dat gemiddeld tussen 15 november 2017 en 1 januari 2018 meer dan 4,3 gram bruto fosfor per kilogram mengvoeder bevat en waarvan de verhouding tussen het fosfor en ruw eiwit hoger dan 2,2 is.

2 Het eerste lid is niet van toepassing indien gemiddeld over het jaar 2017 in het totale rantsoen aantoonbaar minder dan 3,5 gram bruto fosfor per kilogram droge stof aan runderen is vervoederd.

3 Aantonen dat in 2017 minder dan 3,5 gram bruto fosfor per kilogram droge stof aan runderen is vervoederd, is uitsluitend mogelijk indien:

a. de houder zich voor 1 december 2017 bij de minister meldt;

b. de houder de minister machtigt voor inzage en gebruik van gegevens van de houder over het jaar 2017, die zijn opgenomen in de database Kringloopwijzer;

c. de database Kringloopwijzer kuilanalyses van de houder bevat van het bruto fosforgehalte van het ruwvoer dat in 2017 op het bedrijf aanwezig was, die via geautomatiseerde datakoppelingen door een laboratorium zijn ingelezen;

d. de gegevens in de database Kringloopwijzer over de hoeveelheden en het bruto fosforgehalte van voeders voor runderen, enkelvoudige voeders, vochtrijke voeders en ruwvoeders, geautomatiseerd worden aangeleverd via datakoppelingen met leveranciers. Indien datakoppelingen niet aanwezig zijn dient een jaaroverzicht van het betreffende geleverde voedermiddel te kunnen worden overlegd om de in de database Kringloopwijzer opgenomen waarden te kunnen onderbouwen.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 4 — Nadere regelen over het gebruik van toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen of een product met een mogelijk ongewenste stof in een proefstadium of voor onderzoeksdoeleinden

Artikel 58

Vervallen

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 4 — Nadere regelen over het gebruik van toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen of een product met een mogelijk ongewenste stof in een proefstadium of voor onderzoeksdoeleinden

Artikel 59

1 Voor de behandeling van een aanvraag voor toestemming als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1831/2003 is de aanvrager aan de minister een retributie verschuldigd van € 151,00 per uur dat aan de behandeling is besteed.

2 Een aanvraag tot toestemming voor een onderzoek voor wetenschappelijke doeleinden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1831/2003 wordt in behandeling genomen nadat het ingevolge het eerste lid verschuldigde bedrag is voldaan.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 4 — Nadere regelen over het gebruik van toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen of een product met een mogelijk ongewenste stof in een proefstadium of voor onderzoeksdoeleinden

Artikel 60

Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 59 wordt een dossier gevoegd dat is samengesteld overeenkomstig de richtsnoeren, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1831/2003.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 4 — Nadere regelen over het gebruik van toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen of een product met een mogelijk ongewenste stof in een proefstadium of voor onderzoeksdoeleinden

Artikel 60a

1 De minister kan toestemming verlenen voor een proefneming met een product dat mogelijk een ongewenste stof bevat voor de vaststelling van een verhoogd gehalte, een maximumgehalte of een actiedrempel als bedoeld in artikel 4, tweede lid, eerste alinea, van richtlijn nr. 2002/32/EG.

2 De minister draagt bij het verlenen van een toestemming als bedoeld in het eerste lid, zorg voor toepassing van artikel 4, tweede lid, tweede alinea, van richtlijn nr. 2002/32/EG.

3 Het is verboden in strijd te handelen met aan een toestemming verbonden voorschriften.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 5 — Verrichtingen op verzoek

Artikel 61

1 Een aanvraag tot het doen van verrichtingen op verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de minister, onder vermelding van:

a. de soorten te verrichten bedrijfsactiviteiten;

b. de soorten en hoeveelheden van de goederen;

c. de datum en het tijdstip waarop de bedrijfsactiviteiten naar verwachting zullen aanvangen;

d. de datum en het tijdstip waarop de bedrijfsactiviteiten naar verwachting zullen eindigen, en

e. de locatie(s) waarop de bedrijfsactiviteiten zullen plaatsvinden,

2 De aanbieder meldt de gewenste verrichtingen, uiterlijk vóór 07:00 uur op de werkdag voorafgaand aan de dag van de voorgenomen uitvoering.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 6 — Nadere regelen omtrent het verstrekken van inlichtingen

Artikel 62

De inlichtingen die ingevolge artikel 20, derde lid, van verordening (EG) nr. 178/2002 worden verstrekt bevatten ten minste:

a. gegevens die een nauwkeurige identificatie van de producten waarop de inlichtingen betrekking hebben mogelijk maken;

b. een zo volledig mogelijke beschrijving van het risico dat de producten opleveren;

c. gegevens die kunnen worden gebruikt om de producten op te sporen.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 6 — Nadere regelen omtrent het verstrekken van inlichtingen

Artikel 63

Inlichtingen als bedoeld in artikel 20, derde lid, van verordening (EG) nr. 178/2002 die op een andere wijze worden verstrekt dan door toezending van een schriftelijke en ondergetekende verklaring, of een elektronisch verzonden verklaring waaruit de authenticiteit van het origineel genoegzaam blijkt, worden onverwijld bevestigd door middel van een schriftelijke en ondergetekende verklaring.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 6 — Nadere regelen omtrent het verstrekken van inlichtingen

Artikel 63a

1 Een exploitant van een diervoederbedrijf geeft bij het verlenen van een opdracht aan een laboratorium tot het verrichten van onderzoek naar een diervoeder of een grondstof voor de bereiding daarvan, de bestemming aan van het te onderzoeken product en verstrekt informatie over de samenstelling en identificatie van het onderzoeksmonster.

2 Bij het verstrekken van de informatie over de identificatie van het onderzoeksmonster, vermeldt de exploitant identificatienummers van het product, indien voorhanden.

Hoofdstuk 6 — Overige bepalingen › § 7 — Heronderzoek

Artikel 64

Een belanghebbende kan binnen zeven dagen nadat aan hem het resultaat van het onderzoek, bedoeld in artikel 5:18, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bekend is gemaakt, bij de minister een verzoek om heronderzoek indienen.

Hoofdstuk 7 — Overige bepalingen

Artikel 65

Hoofdstuk 8 van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van tarieven door de Stichting Skal voor de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.5 van het besluit.

Hoofdstuk 7 — Overige bepalingen

Artikel 65a

De Regeling diervoeders zoals die luidde bij de inwerkingtreding van deze regeling blijft van toepassing op diervoeder, bestemd voor gezelschapsdieren, voorzover een diervoeder voor 1 september 2011 in de handel is gebracht, in overeenstemming met die regeling is geëtiketteerd en de voorraad van dat diervoeder nog niet is uitgeput.

Hoofdstuk 7 — Overige bepalingen

Artikel 65b

Vervallen

Hoofdstuk 8 — Wijziging en intrekking van andere regelingen

Artikel 66

Wijzigt de Regeling zekerheidsstelling en betaling van VWA-keurlonen.

Hoofdstuk 8 — Wijziging en intrekking van andere regelingen

Artikel 67

Wijzigt het Mandaatbesluit LNV Voedsel en Waren Autoriteit.

Hoofdstuk 8 — Wijziging en intrekking van andere regelingen

Artikel 68

Wijzigt de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB.

Hoofdstuk 8 — Wijziging en intrekking van andere regelingen

Artikel 69

Wijzigt de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Hoofdstuk 8 — Wijziging en intrekking van andere regelingen

Artikel 70

De Regeling diervoeders wordt ingetrokken.

Hoofdstuk 9 — Slotbepalingen

Artikel 71

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2010.

Hoofdstuk 9 — Slotbepalingen

Artikel 72

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling diervoeders 2012.

Bijlage 1 — behorend bij artikel 56

Bijlage 1 — behorend bij artikel 56

RSV-code | Titel

A508 | diervoeders, voormengsels en concentraten – screening en identificering van bacteriegroeiremmende stoffen – agargelhoogspanningselectroforese in combinatie met bioautografie

A509 | diervoeders, voormengsels en concentraten – screening en identificering van bacteriegroeiremmende stoffen – bacteriespectrummethode

A680 | diervoeders – microcoscopische identificatie van diervoedergrondstoffen en andere bestanddelen

A0696 | diervoeders – microscopisch onderzoek van mengvoeders op samenstellende grondstoffen

A0817 | diervoeders – identificatie van dierlijke bestanddelen – microscopie

A0836 | diervoeder – bepaling van ruwe celstof – gravimetrisch

A0877 | screening op aanwezigheid van dioxinen en planaire PCB’s – CALUX bioassay

Bijlage 2 — behorend bij artikel 56 › Analysemethoden in flexibele scope

Analysemethoden in flexibele scope

Dierlijke en plantaardige producten, diervoeder (grondstoffen) en water – Het aantonen, bepalen en bevestigen van dierbehandelingsmiddelen; vloeistofchromatografie, massaspectrometrische detectie en fluorescentie detectie

A0579 | Dierlijke weefsels, dierlijke excreta, honing, veevoeders en veevoedergrondstoffen – Het bepalen en bevestigen van chlooramfenicol – LC-MS/MS

A0846 | Voedermiddelen, premixen en mineralenmengsels – Het bepalen van coccidiostatica en groeibevorderaars – LC-MS/MS

A0929 | Diervoeders – Het bepalen en bevestigen van tetracyclines – LC-MS/MS

A0939 | Diervoeders – Het bepalen en bevestigen van enkele sulfonamiden – LC-MS/MS

A0960 | Diervoeders – Het bepalen en bevestigen van enkele macroliden en lincomycine – LC-MS/MS

A0963 | Diervoeders – Het bepalen en bevestigen van penicillines – LC-MS/MS

A1005 | Diervoeders – Het bepalen en bevestigen van ionoforen – LC-MS/MS

A1037 | Diervoeders – Het bevestigen van avilamycine – LC-MS/MS

A1098 | Diervoeders – Het bepalen en bevestigen van coccidiostatica (Richtlijn 2009/8/EG) – LC-MS/MS

Dierlijke en plantaardige producten, diervoeder (grondstoffen) – Het aantonen, bepalen en bevestigen van natuurlijke toxinen; vloeistofchromatografie en massaspectrometrische detectie en UV detectie en fluorescentie

A0255 | Diervoeder en meel – Multimethode Mycotoxinen – LC-MS/MS

A0932 | Diervoeder en diervoedergrondstoffen – Bepaling van het gehalte aan aflatoxine B1 – immunoaffiniteit – HPLC – fluorescentiedetectie

A1070 | Diervoeders – Het bepalen van ergotalkaloïden – LC-MS/MS

Dierlijke en plantaardige producten – Bepalen van het gehalte aan dioxinen, dibenzofuranen, nonorthoPCB’s en monoortho PCB’s (en indicator PCB’s); GCHRMS

A0565 | Dioxinen en PCB’s bevattende extracten – gehaltebepaling met behulp van hoog oplossend vermogen massaspectrometrie

A0561 | Melk(producten), dierlijk vetweefsel – Isolatie van vet voor de bepaling van dioxinen en pcb’s

A1054 | Dioxine-en PCB bevattende extracten – Zuivering met behulp van een geautomatiseerd Power-Prep clean-up systeem

Dierlijke en plantaardige producten – Bepalen van het gehalte aan bestrijdingsmiddelen, gaschromatografie en ECD

A0204 | Oliën en vetten – Bepaling van organochloorverbindingen – Gelpermeatiechromatografie, capillaire gaschromatografie, electron capture detectie

Plantaardige en dierlijke producten – Bepalen van metalen; ETAAS, FAAS en koude damp-AFS techniek

A1057 | Dierlijk weefsel, voedsel en grondstoffen, voeder en grondstoffen, meststoffen en milieumatrices – Bepaling van het gehalte aan (sporen)elementen

A1058 | Water en destruaten – Bepaling van het elementgehalte – absorptie spectrometrie met grafietoventechniek (ETAAS).

A1059 | Water en destruaten – Bepaling van het elementgehalte – atomaire absorptie spectrometrie met vlam-AAS techniek (FAAS).

A1060 | Water en destruaten – Bepaling van het kwikgehalte – Koude damp / atomaire fluorescentie spectrometrie (Mercur).

Plantaardige en dierlijke producten, diervoeders – Bepaling van het gehalte vocht; gewichtsverlies na verwarmen, gravimetrisch

A0582 | Diervoeders – Bepaling van vocht – gravimetrisch

Dierlijke en plantaardige producten, diervoeder (grondstoffen) en water – Het aantonen, bepalen en bevestigen van stoffen met hormonale werking en van beta-agonisten; vloeistofchromatografie en massaspectrometrische detectie

A0853 | Varkensdroogvoeders – Het bepalen en bevestigen van medroxyprogesteronacetaat (MPA) – LC-MS/MS

A0993 | Diervoeders – Het aantonen van ß-agonisten – LC-MS/MS

Dierlijke en plantaardige producten, diervoeder (grondstoffen) en water – Het aantonen, bepalen en bevestigen van stoffen met hormonale werking; gaschromatografie en massaspectrometrische detectie

A1017 | Runderurine en diervoeder – Fractionering van anabole steroïden – GC-MS/MS

A1018 | Diervoeder – Het bepalen en bevestigen van anabole steroïden – GC-MS/MS

A1022 | Diervoeder- Extractie en opzuivering van anabole steroïden

A1035 | Runderurine en water – Het bepalen en bevestigen van anabole steroïden – GC-MS/MS

Dierlijke en plantaardige producten, diervoeder (grondstoffen) en water – Het aantonen van stoffen met hormonale werking en dierbehandelingsmiddelen; immunochemische detectie

A0995 | Diervoeders – Het aantonen van clenbuterol en salbutamol – Competitieve EIA (clen-EIA en mix-EIA)

A1065 | Veevoeders, veevoedergrondstoffen, rauwe melk, melkpoeder en kalver- en runderurines – Aantonen van chlooramfenicol – EIA

Urine en diervoeder(grondstoffen) – Screening op hormonale activiteit; Gist bioassay met fluorescentiemeting

A1008 | Diervoeders – Screening op estrogene activiteit – Gist bioassay met fluorescentiemeting

A1028 | Diervoeder – Screening op androgene activiteit – Gist Bioassay met fluorescentiemeting

Plantaardige en dierlijke producten, diervoeders, water – Bepalen van het gehalte stikstof/ruw eiwit; Kjeldahl

A0584 | Grasmeel en luzernemeel – Bepaling van ruw eiwit – Kjeldahlmethode

Plantaardige en dierlijke producten, diervoeders, water – Bepaling van het gehalte lactose na chromatografische scheiding; LCRI

A0849 | Magere melkpoeder – Bepaling van het gehalte lactose – HPLC

Grondstoffen, voedingsmiddelen en diervoeders – Het aantonen en bepalen van genetisch gemodificeerde organismen en afgeleide producten; (realtime) PCR

A1007 | Grondstoffen, voedingsmiddelen en diervoeders – DNA-isolatie met het Promega Wizard Magnetic DNA purification system for food.

A1012 | Grondstoffen, voedingsmiddelen en diervoeders – DNA isolatie met de CTAB methode.

A1033 | Grondstoffen, voedingsmiddelen en diervoeders – Uitvoering en beoordeling van (real-time) PCR GGO analyses

N0112 | Grondstoffen, voedingsmiddelen en diervoeders – DNA-isolatie met de DNeasy Plant Mini Kit.