4.3.1 — Spelling Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen
Spelling
Categorieën
Deze paragraaf bevat de categorieën van spellingsproblemen en -regels. De basis voor de spelling is kennis van de beschaafde uitspraak van het Nederlands («klankzuiver»):
1. Klankzuivere woorden (wil, dier, maat, daar, moet, wesp, kalf etc.): woorden die in een standaard Nederlandse uitspraak geen alternatieve spelling toelaten.
2. Klankambigue woorden: woorden die indien de klank gevolgd wordt fout gespeld zullen worden. Het gaat om algemene regels en dialectische bijzonderheden. Het zijn fouten die in de ene regio vaker zullen voorkomen dan in een andere:
bodum (bodem), enugu (enige), flakbij (vlakbij), prijsen (prijzen), prongeluk (per ongeluk), srijf (schrijf), teminste; tuminste, tuminstu (tenminste), trugbetalen (terugbetalen).
3. Spelambigue woorden zoals mouwen (mauwen), klijn (klein), dagt (dacht), antwoort (antwoord), direkt (direct). Het zijn woorden die op twee manieren gespeld kunnen worden, omdat de klank geen uitsluitsel geeft. Twee lettertekens representeren één klank (au/ou, d/t, ei/ij, ch/g, c/k).
Regels voor lettergreepgrenzen
4. Regels voor verdubbeling en verenkeling op lettergreepgrenzen: ontsmetting, nummer, verstoppen, liggen, lopen, oversteken, haren.
5. Afbreekregels (ge-trokken; getrok-ken, get-rokken, getrokk-en), als een samenspel van morfologische en spellingregels.
Regels voor woordgrenzen
6. Aaneen- en losschrijven van woorden
(autoweg, kwijtraakte, voor altijd).
Morfologische spelling
7. Regel van gelijkvormigheid bij assimilatie: zakdoek in plaats van zaddoek.
8. Meervoudsvorming
8.1. -s na medeklinker, -a, -o, -u, -y, -e: (a) fuchsia’s, (b) cafés, (c) garages, meisjes
8.2. -en (a) zonder en (b) met verdubbeling: latten (zelfstandig naamwoord), laten (werkwoord).
9. Vorming van bijvoeglijk naamwoord
9.1. -e (bij zelfstandig naamwoord in enkelvoud als meervoud), met mogelijk toepassing van andere regels (verenkeling/verdubbeling op lettergreepgrenzen). Ook bij bijvoeglijke naamwoorden afgeleid van werkwoorden
9.2. Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden op -en: gouden, zilveren (zowel bij zelfstandig naamwoord in enkelvoud als meervoud).
10. Vorming van verkleinwoord
10.1. Basis + diminutief
10.2. Uitzondering op verenkelings/verdubbelingsregel:
verkleinwoord na open klinker: chocolaatje, cafeetje, parapluutje.
11. Schrijfwijze van achtervoegsels (-heid, -lijk).
12. ’s en -s: ‘s nachts, ’s Nachts (begin van een zin).
13. Meervouds -n bij zelfstandig en bijvoeglijk gebruikte verwijzingen naar personen/niet personen: alle, vele, weinige, maar ook allen, weinigen, velen etc.
Regels voor de werkwoordspelling
14. Persoonsvorm
14.1. tegenwoordige tijd van werkwoorden met stam op -d
14.1.1. enkelvoud: word(t)
eerste persoon stellend en vragend (ik word/word ik)
tweede persoon stellend en vragend (jij wordt/word jij)
derde persoon enkelvoud stellend en vragend (hij wordt/wordt hij)
wordt je broer, wordt jou de toegang ontzegd
derde persoon, enkelvoud stellend en vragend bij werkwoorden met prefix (kans op verwarring met woordbeeld van voltooid deelwoord): hij beoordeelt (niet: beoordeeld)
14.1.2. meervoud: worden, laten
14.2. verleden tijd van zwakke werkwoorden met stam op -d of -t: (morfologische regel leidt tot verdubbeling van d/t, hoewel fonetisch niet nodig) antwoordde
14.3. verleden tijd van sterke werkwoorden met stam op -d of -t
enkelvoud: werd, liet
meervoud: werden.
15. Infinitief
15.1. «Gewone» werkwoorden met stam op -d of -t: worden, laten
15.2. Werkwoorden met stam op -d en -t die in de verleden tijd dd/tt krijgen: vergoeden, verplichten (verwisseling woordbeelden)
15.3. Als 15.2, in bijvoeglijke bepalingen, in een omgeving met verleden tijd («de te verlichten straten waren niet afgesloten»).
16. Voltooid deelwoord
16.1. (per prefix), met kans op verwarring met woordbeeld persoonsvorm
op -d: gebeurd, beoordeeld
op -d: na een «valse» f (stam op v): geverfd
op -d, na een «valse» s (stam op z): verhuisd
16.2. op -den of -ten: geladen, gelaten
in de omgeving van meervoud (de geladen wagens)
in de omgeving van enkelvoud (de geladen wagen)
16.3. op -d of -t, gebruikt als bijvoeglijk naamwoord: geparkeerde, geraakte, beschutte
in de omgeving van enkelvoud/meervoud: de beschutte tuin/tuinen (bijvoeglijk naamwoord buigt niet met getal mee)
in de omgeving van tegenwoordige/verleden tijd: hij zag/zij ziet verlichte straten.
Overige regels
17. Schrijfwijze van tussenklanken -s en -e(n).
18. Gebruik van trema en koppelteken.
- Regeling
- Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen
- Soort
- AMvB
- Geldend vanaf
- 01-08-2022
- BWB-id
- BWBR0027879
- Versie
- 2022-08-01_0