wetzoeker

Artikel 3.14 Regeling op het specifiek cultuurbeleid

Dans

1 De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van dansrepertoire, indien de instelling:

a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium, dat meer dan 400 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;

b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;

c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van dans; en

d. een beleid voert dat talentontwikkeling bevordert.

2 De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste vijf instellingen, waarvan:

a. één instelling voorziet in een voor Nederland onderscheidend grootschalig repertoire op het gebied van ballet in een internationale context en zich richt op een groot landelijk publieksbereik;

b. één instelling voorziet in de verzorging van grootschalig, onderscheidend modern dansaanbod in een internationale context;

c. één instelling voorziet in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod en in de productie en distributie van jeugddans; en

d. twee instellingen die voorzien in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod.

3 Per kernpunt verstrekt de minister op grond van dit artikel aan niet meer dan één instelling subsidie.

Regeling
Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
21-08-2025
BWB-id
BWBR0027597
Versie
2025-08-21_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl