3.3 — Regels voor de beheerfase van winputten Beleidsregels voor lozing op oppervlaktewater door storting van baggerspecie in Wm-vergunningplichtige winputten
Regels voor de beheerfase van winputten
Als er geen baggerspecie meer wordt gestort in de winput is de beïnvloeding van het oppervlaktewater over het algemeen gering en wordt deze met name bepaald door diffusie, consolidatie en erosie. Door het aanbrengen van een voldoende dikke, schone, afdeklaag wordt verspreiding naar het in de winput aanwezige oppervlaktewater voorkomen. Het is daarom nuttig om in de vergunning een afdeklaag voor te schrijven die ten minste voldoet aan de eisen van een nuttige, grootschalige toepassing zoals beschreven in het Besluit bodemkwaliteit. Voor stortingen in winputten die liggen in gebieden waarvoor gebiedsspecifiek beleid van toepassing is, geldt dat de afdeklaag moet voldoen aan de eisen die in dit gebiedsspecifieke beleid zijn vastgelegd.
Een belangrijk aandachtspunt is de erosiebestendigheid van de afdeklaag. Er mag geen onaanvaardbare erosie van de afdeklaag optreden. Er bestaat een directe relatie tussen de vulhoogte in een winput en het verlies van baggerspecie door stroming, windgolven of scheepvaart
6 Storten van baggerspecie in open putdepots, deelrapport 1: referentie ontwerp putdepots, 2001, AKWA.
. De vulhoogte heeft echter ook een directe relatie met de beschikbare stortingscapaciteit. Rekening houdend met deze twee zaken wordt in de studie ‘Storten van baggerspecie in putdepots: eindnota’
7 Storten van baggerspecie in putdepots, eindnota, rapport 2001.049, AKWA, november 2001, Utrecht.
aanbevolen om een winput niet verder dan 5 meter onder het (normale) waterbodemniveau op te vullen met baggerspecie. Het verlies door erosie is dan beperkt. Bij winputten die niet verder dan 5 meter onder het (normale) waterbodemniveau worden opgevuld is de kans op het optreden van erosie van de afdeklaag dus klein.
Voor open en half open winputten die wel verder dan 5 meter onder het (normale) waterbodemniveau worden opgevuld, moet worden beoordeeld of erosie kan optreden. In tabel 3.3 wordt aangegeven bij welke situaties erosie van de afdeklaag kan optreden
8 Handreiking sanering waterbodems, juli 2006, AKWA & Quickscan waterbodems: handreiking voor een snelle beoordeling of waterbodems een risico vormen voor het bereiken van de goede toestand conform de Kaderrichtlijn water, 2004, RIZA.
. Indien sprake is van een van deze situaties, dan moet in de vergunningaanvraag gemotiveerd worden aangegeven op welke manier erosie van de afdeklaag wordt voorkomen. In de vergunning kunnen eisen worden gesteld aan de (fysische) samenstelling en/of controle van de afdeklaag.
Tabel 3.3: situaties waarbij erosie van de afdeklaag van een winput kan optreden
Erosie door: | Optreden erosie mogelijk bij/door:
stroming* | • stroomsnelheden groter zijn dan 0,3 m/s voor meer dan 7 dagen per jaar bij een slappe of weinig geconsolideerde bovenlaag (dichtheid < 1,3 kg/m3) • stroomsnelheden groter zijn dan 0,8 m/s voor meer dan 7 dagen per jaar bij een sterk geconsolideerde bovenlaag (dichtheid > 1,3 kg/m3)
Scheepvaart | • beroeps(binnen)vaart boven de winput bij een kielspeling kleiner dan 4 meter • zeescheepvaart of vierbaksduwvaart boven de winput indien (ASCHIP× VSCHIP) / AWATERGANG groter is dan 0,3 m/s** • recreatievaart boven de winput bij een kielspeling kleiner dan 2 meter.
* Bij half open winputten in riviersystemen moet rekening worden gehouden met het optreden van erosie bij hoog water.
** ASCHIP = oppervlakte schip in dwarsdoorsnede; VSCHIP = vaarsnelheid; AWATERGANG = oppervlakte van watersysteem waarin de winput ligt.
- Regeling
- Beleidsregels voor lozing op oppervlaktewater door storting van baggerspecie in Wm-vergunningplichtige winputten
- Soort
- Beleidsregel
- Geldend vanaf
- 16-04-2010
- BWB-id
- BWBR0027505
- Versie
- 2010-04-16_0