wetzoeker

Resultaat toetsing Beleidsregels voor lozing op oppervlaktewater door storting van baggerspecie in Wm-vergunningplichtige winputten

Indien voor de getoetste stoffen de storting niet leidt tot een onaanvaardbare concentratieverhoging (∆COW-D ) van het in de winput aanwezige oppervlaktewater, dan zijn de gehanteerde uitgangspunten acceptabel. Voor de storting kan een Wvovergunning afgegeven worden. Stap 3 van het toetsingskader hoeft niet uitgevoerd te worden. In hoofdstuk 6 is aangegeven welke eisen in de vergunning kunnen worden gehanteerd ten aanzien van stortmethoden, tijdsbestek van de storting en stromingsbeperkende voorzieningen. De constatering dat de uitgangspunten voor de storting acceptabel zijn, vrijwaart de initiatiefnemer immers niet van de plicht om door middel van BBT vertroebeling en andere belasting voor het milieu zo veel mogelijk te voorkomen en tot een minimum te beperken.

Als uit de toetsing blijkt dat voor één of meerdere van de getoetste stoffen de storting wel leidt tot een onaanvaardbare concentratieverhoging (∆COW-D ) van het in de winput aanwezige oppervlaktewater, dan kan de vergunningaanvrager er voor kiezen om de uitgangspunten voor de winput bij te stellen en de toetsing van stap 2 opnieuw uit te voeren. De vergunningaanvrager heeft hierbij onder meer de volgende mogelijkheden:

• het stellen van strengere eisen ten aanzien van het te storten materiaal;

• de vulsnelheid van de storting zodanig verlagen dat de waterkwaliteitsnorm niet meer wordt overschreden;

• een andere stortmethode toepassen;

• het uitwisselingsdebiet met het oppervlaktewater verhogen (alleen bij (half)open winputten);

• de storting anders dimensioneren (bijvoorbeeld minder materiaal toepassen);

• voor de verschillende dieptes in de winput verschillende eisen stellen ten aanzien van het te storten materiaal; door in de diepere lagen van de winput sterker verontreinigd materiaal en in de ondiepere lagen minder sterk verontreinigd materiaal te storten, kan de belasting van het oppervlaktewater worden geminimaliseerd; de aanvrager moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat voldoende materiaal beschikbaar is om de door hem voorgestelde vulopzet te realiseren.

Door het bijstellen van de uitgangspunten dient de vergunningaanvrager te komen tot een werkwijze, in combinatie met een reeks acceptatiecriteria, die voor het in de winput aanwezige oppervlaktewater aantoonbaar geen overschrijding van de gestelde normen in stap 2 veroorzaakt. Deze werkwijze en acceptatiecriteria dienen vervolgens als uitgangspunt voor een te verlenen vergunning.

Indien het niet mogelijk is om door middel van het bijstellen van de uitgangspunten voor de storting te voldoen aan de normen in stap 2, dan kan voor de storting in de meeste gevallen geen vergunning afgegeven worden. Uitzonderingen zijn die stortingen waarbij een vergunningaanvrager kan onderbouwen dat een (tijdelijke) overschrijding van de waterkwaliteitsnormen in het oppervlaktewater kan worden verantwoord. De wijze waarop dit moet worden getoetst, wordt beschreven in stap 3.

Regeling
Beleidsregels voor lozing op oppervlaktewater door storting van baggerspecie in Wm-vergunningplichtige winputten
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
16-04-2010
BWB-id
BWBR0027505
Versie
2010-04-16_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl