wetzoeker

Onderlinge regeling Curaçao, Sint Maarten en Nederland ex art. 38, eerste lid, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (samenwerking op het gebied van vreemdelingenketen)

Onderlinge regeling tussen Curaçao, Sint Maarten en Nederland, zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende de samenwerking tussen de landen op het gebied van de vreemdelingenketen

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
10-10-2010
Rechtsgebied
Migratierecht, Staats- en bestuursrecht, Staatsrecht, Vreemdelingenrecht
Ministerie
Veiligheid en Justitie
BWB-id
BWBR0027352
Versie
2010-10-10_0
SHA-256 bron
9beea3cac5789cd44e87abfa49194bad1f12b2508c9e316c835e10069b3c33c3

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (47)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4
  5. Artikel 5
  6. Artikel 6
  7. Artikel 7
  8. Artikel 8
  9. Artikel 9
  10. Artikel 10
  11. Artikel 11
  12. Artikel 12
  13. Artikel 13
  14. Artikel 14
  15. Artikel 15
  16. Artikel 16
  17. Artikel 17
  18. Artikel 18
  19. Artikel 19
  20. Artikel 20
  21. Artikel 21
  22. Artikel 22
  23. Artikel 23
  24. Artikel 24
  25. Artikel 25
  26. Artikel 26
  27. Artikel 27
  28. Artikel 28
  29. Artikel 29
  30. Artikel 30
  31. Artikel 31
  32. Artikel 32
  33. Artikel 33
  34. Artikel 34
  35. Artikel 35
  36. Artikel 36
  37. Artikel 37
  38. Artikel 38
  39. Artikel 39
  40. Artikel 40
  41. Artikel 41
  42. Artikel 42
  43. Artikel 43
  44. Artikel 44
  45. Artikel 45
  46. Artikel 46
  47. Artikel 47

Hoofdstuk 1 — Doel en reikwijdte

Artikel 1

Er zal een nauwe samenwerking zijn tussen de vreemdelingenketens van de landen. De landen werken samen ten behoeve van een goede en effectieve uitvoering van het vreemdelingenbeleid en nationaliteitsrecht in de landen en ter bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel en -smokkel.

Hoofdstuk 1 — Doel en reikwijdte

Artikel 2

De landen verstaan onder de vreemdelingenketen de organisaties belast met de kust- en grensbewaking, toelating van personen, toezicht, uitzetting, verwijdering en vertrek c.q. terugkeer. Tevens worden het visumbeleid, als onderdeel van toegang en toelating, naturalisatie (en de overige onderdelen van de wetgeving omtrent de Nederlandse nationaliteit) en de registratie van personen betrokken. Het gaat om de vreemdelingenketen in bredere zin. Met ‘vreemdelingenketen' wordt ook gedoeld op de werkprocessen van de zojuist genoemde onderwerpen.

Hoofdstuk 1 — Doel en reikwijdte

Artikel 3

Voor een zorgvuldige en efficiënte uitvoering van het vreemdelingenbeleid en voor het wederzijds inzicht is het van groot belang dat de richtlijnen van de landen ten aanzien van de verschillende werkprocessen in de vreemdelingenketen op schrift worden vastgesteld.

Hoofdstuk 2 — Verantwoordelijke autoriteit en contactpunten

Artikel 4

Voor de toepassing van deze regeling zal elk land een vreemdelingenautoriteit aanwijzen. Onder een vreemdelingenautoriteit wordt verstaan een door een land aan te wijzen ambtelijke vertegenwoordiger van de vreemdelingenketen van het betrokken land.

Hoofdstuk 2 — Verantwoordelijke autoriteit en contactpunten

Artikel 5

De vreemdelingenautoriteiten van de landen overleggen twee keer per jaar over de werkmethoden, uitvoering van het beleid en systemen met in begrip van de registratiesystemen, teneinde de uitwisseling van informatie tussen de diensten in de vreemdelingenketen te bevorderen.

Hoofdstuk 2 — Verantwoordelijke autoriteit en contactpunten

Artikel 6

Voor informatieverzoeken en ten behoeve van de informatie-uitwisseling op het terrein van het toelatingsbeleid, terugkeerbeleid, grenstoezicht en met betrekking tot de uitvoering op het terrein van het nationaliteitsrecht stellen de landen een lijst van contactpunten samen.

Hoofdstuk 3 — Afstemming en informatie-uitwisseling

Artikel 7

De landen stemmen zoveel mogelijk hun vreemdelingenbeleid onderling met elkaar af, teneinde ongewenste vormen van migratie tussen de landen te voorkomen.

Hoofdstuk 3 — Afstemming en informatie-uitwisseling

Artikel 8

De landen houden elkaar op de hoogte van de ontwikkelingen rondom de vreemdelingenketen.

Hoofdstuk 3 — Afstemming en informatie-uitwisseling

Artikel 9

De landen stellen elkaar tijdig in kennis van het voornemen tot uitvoering, wijziging, uitbreiding of vervallenverklaring van wet- en regelgeving, inclusief het aangaan of opzeggen van internationale verplichtingen, de vreemdelingenketen betreffende.

Hoofdstuk 3 — Afstemming en informatie-uitwisseling

Artikel 10

De landen informeren elkaar via voor elk van hen toegankelijk informatie mechanisme. Dit informatie mechanisme dient een snel kanaal te zijn voor de uitwisseling van informatie en standpunten van de landen over onderwerpen op het terrein van het vreemdelingenbeleid en nationaliteitsrecht, die gevolgen kunnen hebben voor de landen of voor het Koninkrijk als geheel. Deze informatie dient zo spoedig mogelijk via een daartoe bestemd emailadres aan de landen worden verspreid.

Hoofdstuk 4 — Ict-systemen

Artikel 11

De landen spreken af dat een compatibel ICT-systeem voor de hele vreemdelingenketen op Curaçao, Sint Maarten en de BES wordt gehanteerd.

Hoofdstuk 4 — Ict-systemen

Artikel 12

De landen hanteren zoveel mogelijk eenduidige registratienormen en ICT-systeemprotocollen. De normen betreffen de registratie zelf, het wijzigen door toevoegen en verwijderen van gegevens en het onderhoud.

Hoofdstuk 4 — Ict-systemen

Artikel 13

De landen zullen bezien of een koppeling tussen het ICT-systeem in het Caribische deel van het Koninkrijk en het ICT-systeem in het Europese deel van het Koninkrijk, zoals bijvoorbeeld de koppeling met het Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV) Systeem in het Europese deel van het Koninkrijk wenselijk en mogelijk is.

Hoofdstuk 4 — Ict-systemen

Artikel 14

De landen zorgen ervoor dat adequate geautomatiseerde gegevensuitwisseling tot stand komt tussen de vreemdelingenregistratiesystemen en de bevolkingsadministraties van de landen in het Caribische gebied.

Hoofdstuk 5 — Grenstoezicht

Artikel 15

De landen komen overeen dat ten behoeve van een goed en efficiënt functionerend grenstoezicht en teneinde te voorkomen dat ongewenste personen de landen binnen komen, de verantwoordelijke grenstoezichtautoriteiten informatie uitwisselen, waar nodig met (andere) opsporingsautoriteiten, over valse- en vervalste documenten alsmede over trends en personen die ter fine van toegangsweigering gesignaleerd staan.

Hoofdstuk 5 — Grenstoezicht

Artikel 16

De landen komen overeen dat ten behoeve van een goede uitvoering van het grenstoezicht de landen ervoor zorgdragen dat het beleid en de uitvoering van het grenstoezicht in de landen zo veel mogelijk op elkaar aansluiten.

Hoofdstuk 5 — Grenstoezicht

Artikel 17

De landen nemen maatregelen en verrichten de nodige inspanningen in de landen opdat de bestrijding van en handhaving ten aanzien van mensenhandel en mensensmokkel zorgvuldig en adequaat plaatsvindt. Hiertoe spreken de Landen af zorg te dragen voor een goede samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de verschillende diensten die betrokken zijn bij de bestrijding van mensenhandel en -smokkel. In dit kader zullen de landen de informatie uit de plannen van aanpak waarin aandacht wordt besteed aan preventie, handhaving, samenwerking tussen de diensten en de bescherming van slachtoffers, zoveel mogelijk met elkaar delen.

Hoofdstuk 5 — Grenstoezicht

Artikel 18

De landen spannen zich in om zelf voldoende capaciteit en middelen ter beschikking te stellen voor de taken ten behoeve van de uitvoering van het grenstoezicht.

Hoofdstuk 6 — Toelating

Artikel 19

De landen komen overeen dat ten behoeve van een efficiënte en adequate uitvoering van het toelatingsproces de verantwoordelijke immigratie-autoriteiten desgevraagd en binnen de wettelijke kaders informatie uitwisselen over de verblijfsrechtelijke en arbeidsrechtelijke status van vreemdelingen in de landen.

Hoofdstuk 6 — Toelating

Artikel 20

De landen zorgen ervoor dat de verblijfsaanvragen door de verantwoordelijke (toekomstige) toelatingsautoriteiten op een adequate, zorgvuldige en tijdige wijze worden verleend.

Hoofdstuk 6 — Toelating

Artikel 21

De landen zorgen ervoor dat de werkprocessen van de verschillende betrokken organisaties ten behoeve van de afgifte van de verblijfsvergunningen goed op elkaar aansluiten.

Hoofdstuk 6 — Toelating

Artikel 22

De landen nemen passende maatregelen indien het toelatingsproces niet op een adequate wijze en tijdig wordt uitgevoerd.

Hoofdstuk 7 — Toezicht en terugkeer

Artikel 23

De landen komen overeen dat ten behoeve van een effectieve en adequate uitvoering van het binnenlandse vreemdelingentoezicht en terugkeerproces de verantwoordelijke autoriteiten elkaar desgevraagd en binnen de wettelijke kaders informeren over geweigerde en (gedwongen) teruggekeerde vreemdelingen.

Hoofdstuk 7 — Toezicht en terugkeer

Artikel 24

Om meer inzicht te krijgen in het toezichts-, bewarings- en terugkeerproces worden de aangetroffen illegale vreemdelingen, in vreemdelingenbewaring gestelde illegale vreemdelingen en (gedwongen) teruggekeerde vreemdelingen geregistreerd in het vergelijkbaar/uitwisselbaar ICT-systeem.

Hoofdstuk 7 — Toezicht en terugkeer

Artikel 25

Indien twee of meer van de landen gezamenlijke terugkeervluchten uitvoeren dan dragen zij samen de kosten van de gezamenlijke terugkeervluchten. De kosten- inclusief de kosten van escortering- worden op basis van een totaalberekening per vreemdeling omgeslagen. Elk land betaalt dan een deel van de kosten van het ingehuurde toestel, al naar gelang het aantal vreemdelingen in het toestel.

Hoofdstuk 7 — Toezicht en terugkeer

Artikel 26

De landen zorgen ervoor dat de (voorbereidingen ten behoeve van de) gedwongen terugkeer en de daadwerkelijke uitvoering van de terugkeer van vreemdelingen op een zorgvuldige, humane en snelle wijze gebeurt, met in achtneming van bijzondere voorzorgen ten aanzien van de medische aspecten, de terugkeer van minderjarige vreemdelingen en situaties waarbij aspecten spelen van mensenhandel of schrijdendheid.

Hoofdstuk 8 — Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 27

Ten behoeve van een goede uitvoering van de rijkswet op het Nederlanderschap (en de lagere regelgeving) komen de landen overeen dat de ontwikkelingen periodiek met elkaar worden gedeeld middels periodieke rapportage en twee maal per jaar overleg.

Hoofdstuk 8 — Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 28

De landen zullen ervoor zorgdragen dat de vreemdelingwet- en regelgeving aansluit op de wet- en regelgeving op het gebied van nationaliteit. De landen komen overeen dat de handleidingen voor de uitvoering van de RWN tijdig en op zorgvuldige wijze worden geactualiseerd zodat de landen op een goede wijze uitvoering kunnen geven aan hetgeen hiervoor is bepaald.

Hoofdstuk 8 — Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 29

De naturalisatietoets zal in afstemming tussen de landen worden georganiseerd.

Hoofdstuk 9 — Bevolkingsadministratie

Artikel 30

De landen zullen het reeds bestaande PIVA convenant, alsmede het Bestuursakkoord uitwisseling persoonsgegevens overnemen.

Hoofdstuk 10 — Kwaliteit en professionaliteit van ambtenaren in de vreemdelingenketen

Artikel 31

Ten behoeve van het bevorderen van de professionaliteit, kwaliteit en integriteit van de ambtenaren van de vreemdelingenketen voeren de vreemdelingenautoriteiten overleg over het personeelsbeleid.

Hoofdstuk 10 — Kwaliteit en professionaliteit van ambtenaren in de vreemdelingenketen

Artikel 32

De landen zorgen ervoor dat de ambtenaren belast met de uitvoering van de vreemdelingenketen de nodige opleidingen krijgen zodat zij voldoende kennis hebben om hun werkzaamheden adequaat uit te voeren.

Hoofdstuk 10 — Kwaliteit en professionaliteit van ambtenaren in de vreemdelingenketen

Artikel 33

De landen spannen zich in de competenties en opleidingen van ambtenaren van de vreemdelingenketen van de landen goed op elkaar te laten aansluiten.

Hoofdstuk 10 — Kwaliteit en professionaliteit van ambtenaren in de vreemdelingenketen

Artikel 34

De landen maken gebruik, waar mogelijk, van elkaar opleidings- en trainingsfaciliteiten. De kosten voor het gebruik van de opleidings- en trainingsfaciliteiten van een van de landen komt ten laste van het verzoekende land, tenzij in een voorkomend geval anders is afgesproken.

Hoofdstuk 10 — Kwaliteit en professionaliteit van ambtenaren in de vreemdelingenketen

Artikel 35

De landen stellen voorwaarden aan de kwaliteit en professionaliteit van de ambtenaren belast met de uitvoering van de vreemdelingenketen. Elk van de landen voert een integriteitbeleid dat is gericht op het bevorderen van goed ambtelijk handelen. Hierbij wordt in ieder geval aandacht besteedt aan het bevorderen van integriteitbewustzijn en aan het voorkomen van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en discriminatie.

Hoofdstuk 10 — Kwaliteit en professionaliteit van ambtenaren in de vreemdelingenketen

Artikel 36

Elk van de landen stelt een gedragscode op die in ieder geval regels bevat over financiële belangen, het aannemen van giften en geschenken, het doen van beloftes en toezeggingen, nevenfuncties en de omgang met vertrouwelijke informatie.

Hoofdstuk 11 — Privacyaspecten

Artikel 37

De landen komen overeen dat ten behoeve van de informatie-uitwisseling over individuele dossiers de landen ervoor zorg dragen dat hiervoor een wettelijke grondslag bestaat met inachtneming van de rechten van de betrokken personen. De uitwisseling van persoonsgegevens tussen de organisatie van de vreemdelingketen vindt plaats ter uitvoering van de (inter)nationale verplichtingen en de vreemdelingenwet- en regelgeving van de landen, en mag slechts worden gebruikt voor het doel waarvoor die informatie is gevraagd.

Hoofdstuk 12 — Bijstandverlening

Artikel 38

Indien een land behoefte heeft aan ondersteuning op technisch, personeel, of management gebied op het terrein van de vreemdelingenketen, stelt het betreffende land de andere landen daarvan in kennis. In dat geval zal door de andere landen worden nagegaan of er mogelijkheden zijn om in de ondersteuning te voorzien.

Hoofdstuk 12 — Bijstandverlening

Artikel 39

De financiering van de bijstand komt in beginsel ten laste van het verzoekende land.

Hoofdstuk 12 — Bijstandverlening

Artikel 40

Het land dat om bijstand verzoekt, zal zorg dragen dat bijstandverlenende ambtenaren bevoegd zijn gemaakt de gevraagde bijstand te verlenen.

Hoofdstuk 13 — Aansturing, uitvoering, rapportage en monitoring

Artikel 41

De verantwoordelijke ministers van de landen komen twee keer per jaar bijeen teneinde gezamenlijk de samenwerking te evalueren en zonodig nadere afspraken te maken.

Hoofdstuk 13 — Aansturing, uitvoering, rapportage en monitoring

Artikel 42

Nadere vormen, modaliteiten en voorwaarden voor samenwerking binnen het kader van deze regeling worden gezamenlijk uitgewerkt door de verantwoordelijke vreemdelingenautoriteiten van de landen.

Hoofdstuk 13 — Aansturing, uitvoering, rapportage en monitoring

Artikel 43

De vreemdelingenautoriteiten onder artikel 4 en artikel 5 rapporteren voorafgaand aan het ministeriële overleg aan hun verantwoordelijke minister over de stand van zaken van de uitvoering van de onderlinge regeling.

Hoofdstuk 13 — Aansturing, uitvoering, rapportage en monitoring

Artikel 44

De uitvoering van de onderlinge regeling valt onder verantwoordelijkheid van de betrokken ministers de landen Curaçao, St. Maarten, en Nederland gezamenlijk.

Hoofdstuk 13 — Aansturing, uitvoering, rapportage en monitoring

Artikel 45

Indien de voor de vreemdelingenketen verantwoordelijke minister van een land constateert dat door de wijze waarop de vreemdelingenketen in een van de landen functioneert, de uitvoering van de vreemdelingenketen in zijn land negatieve gevolgen ondervindt, dan treedt hij daarover in onderling overleg met de betrokken minister van dat andere land. Zo nodig stelt hij dit aan de orde in het overleg bedoeld in artikel 41. In dit overleg kunnen afspraken worden gemaakt over de maatregelen die het betrokken land kan treffen, de benodigde extra inzet van capaciteit en middelen en het verlenen van onderlinge bijstand.

Hoofdstuk 14 — Wijziging- en slotbepaling

Artikel 46

De onderlinge regeling kan op voorstel van een of meerdere landen met instemming van alle landen worden gewijzigd. De betrokken ministers van de landen evalueren binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze onderlinge regeling de werking van de regeling in de praktijk. De evaluatie kan aanleiding zijn de regeling in onderlinge overstemming te beëindigen.

Hoofdstuk 14 — Wijziging- en slotbepaling

Artikel 47

Deze onderlinge regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.