wetzoeker

3.2 — De tweejaarsperiode Inkomstenbelasting, eigenwoningregeling

De tweejaarsperiode

Door de formulering van artikel 3.111, tweede of derde lid, van de Wet IB 2001 kan de tweejaarsperiode in zijn uitwerking langer zijn dan een periode van 24 maanden.

Bij een woning die leeg staat of in aanbouw is, ziet de regeling immers op de situatie dat de woning in het kalenderjaar (jaar één) of in een van de daaropvolgende twee jaren (jaren 2 en 3) als eigen woning zal dienen. De verhuisregeling kan dus gedurende maximaal 36 maanden gelden. Al naar gelang de woning later in jaar één wordt verkregen loopt de termijn terug naar 24 maanden (plus één dag). Het verschil tussen 24 en 36 maanden is het gevolg van de ruwe werking van de praktische invulling van de regeling. In een voorkomend geval kan in een bepaald jaar dus niet zijn voldaan aan de wettelijke termijn terwijl de periode toch minder is dan 36 maanden. Voor een verlenging van de termijn zie ik geen aanleiding. Als in jaar één aannemelijk is dat de woning pas in jaar vier wordt opgeleverd, is in jaar één geen sprake van een eigen woning. Pas vanaf jaar twee kan sprake zijn van een eigen woning. Verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule de termijn van artikel 3.111, tweede of derde lid, van de Wet IB 2001, te verlengen, wijs ik af.

Regeling
Inkomstenbelasting, eigenwoningregeling
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
09-11-2022
BWB-id
BWBR0026751
Versie
2022-11-09_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl